door Len Borgdorff, 2 oktober 2018

 

De mus. De bundel Mussenlust heeft veel bij me losgemaakt, merk ik.

Twee weken geleden ving ik onder aanvoering van mijn grote buurjongen Wim af en toe een mus, deze week staan mijn oudere broer en zussen klaar om zich dichter bij een mus te wagen dan een mus doorgaans verdragen kan.

Dat was nog in de tijd dat om sigarenkistjes niet de kwalijke walm hing van nicotinevergiftiging, maar de liefelijke geur van kruidig cederhout. Daar hadden we er thuis heel veel van. En die kistjes waren onder andere uitermate geschikt om er een hulpbehoevend vogeltje in te leggen.

 

 

Meer dan eens kwam er iemand binnen met een jong dat nog niet vliegen kon en in de tuin alleen maar prooi kon wezen voor een kat, bijvoorbeeld de onze. Of er knalde er eentje zo hard tegen het raam dat een vervolg van de vlucht in ieder geval moest worden uitgesteld.

 

Wij vonden een gewonde mus

en legden hem in een doos.

Anders was hij doodgegaan.

 

Dat lees ik bij Ted van Lieshout

 

Lees gedicht

 

Dag mus

 

Wij vonden een gewonde mus

en legden hem in een doos.

Anders was hij doodgegaan.

 

Wij druppelen water in zijn bekje,

maar hij drinkt niet meer. Als hij nu

sterft, is het voortaan onze schuld.

 

Er is geen kat in de buurt

die het zich laat verwijten.

Wij weten niet meer wat te doen.

 

Het leven van zoiets kleins is te teer

voor mensenhanden. Hij wijst ons

met zijn pootjes als de daders aan.

 

Ted van Lieshout

 

Bij ons ging zo’n beestje niet dood. Dat was mooi natuurlijk. Maar ook werd mijn droom niet bewaarheid van een innige vriendschap tussen de mus en mij. Want zo stelde ik het me voor.

 

Altijd ontfermde zich een ouder gezinslid over de mus. Ik had toe te zien, onmachtig om mijn drang tot hulpvaardigheid in daden om te zetten. Wel zat ik er met mijn neus boven op. In mijn herinnering is de afstand tussen mijn neus en het gevleugelde slachtoffertje nooit meer dan een armlengte, en dan bedoel ik de lengte van een kinderarm. Intussen bezwoer ik de vogel met een stille maar indringende, onontkoombare blik dat ik hem bijzonder welgezind was en dat aan onze ontmoeting weliswaar een ongeluk ten grondslag lag, maar dat daaruit een bijzondere vriendschap zou voortkomen.

 

Het welriekende sigarenkistje stond doorgaans al snel weer leeg te wezen en de volgende ochtend bleek de vogel al gevlogen.

Dan volgde een dag dat ik door de tuin dwaalde of ik uit mijn slaapkamer naar buiten keek. Want misschien dat er een vogel kwam aangevlogen die in dat mensje daar het jongetje herkende dat hem zo indringend en grenzeloos vriendelijk had aangekeken toen het slecht met hem ging. Een blik die het vogeltje maar niet kon vergeten.

Peter Müller, Mussenlust, de huismus in vijftig gedichten en 150 tekeningen van Peter Vos. Uitgeverij Müller 2018

Submit to FacebookSubmit to Twitter