door Len Borgdorff, 25 juli 2018

 

Wat gebeurt er als je een gedicht pakt en je gaat er naar zitten kijken? Ik pakte dit gedicht.

4

aan een man met een trompet geef ik
opdracht om op een koude zaterdagavond
vlak voor het begin van de lente op een
donker plein in de stad uit zijn zware
longen zijn meest trieste lied voor mij
te blazen

in ruil waarvoor?

voor niets

ik bied niets en ik denk niet aan een ander

Allereerst zie ik dat de man met de trompet zwart is. Waarom? Misschien wel omdat ik als jongetje graag naar de hoes van een singletje van Louis Armstrong keek. Maar het kan Armstrong niet zijn. Dat plein en dan die koude zaterdagavond… Niks voor hem. Maar als er dan gevraagd wordt om het meest trieste lied te blazen, dan gebeurt er een heleboel tegelijk. Ik hoor intussen Chet Baker. Denk: zware longen? Maar dan blijkt in mijn gedachten ook al even een grote norse neger te zijn langsgekomen, daar op dat plein, waarvan ik denk dat het de Mariaplaats is.

(Een terzijde. Voor ik het weet heb ik mijn mobieltje gepakt om even een appje naar Steven te sturen. Hij zit op Vlieland en is ongetwijfeld toe aan een Utrechtse groet bij de koffie. Maar als ik mijn mobiel pak, lees ik prompt mijn mail. Beschaamd doe ik het apparaatje weg. Dat ding is slecht voor de poëzie. Ik keer terug naar de man op de Mariaplaats. Steven drinkt zijn koffie maar even zonder groet.)

 

Ik maak er mijn eigen wereld van, zo lijkt het, al blijkt dat in de volgende alinea toch niet helemaal het geval te zijn. Hoe dan, de Mariaplaats maakt plaats voor het Burgemeester Woutersplein te Monster, een onpersoonlijk plein waar wind vrij spel heeft, maar dat toch warme gevoelens bij me oproept. Daar zijn allerlei verklaringen voor, maar eentje ervan is dat ik tijdens de les bijbelse geschiedenis op de lagere school daar vlakbij zag hoe de apostelen over wie meester Van Beek sprak op dat Wouterplein stonden te evangeliseren, zoals ik nu op de Mariaplaats een al tamelijk onduidelijk geworden maar toch nog enigszins negroïde gestalte met trompet zag die speelde alsof hij Chet Baker was.

Tegelijkertijd, er zit veel simultaans in een lineaire tekst, verdween ook de ik die ik was om plaats te maken voor een vrouwelijke ik die verdacht veel doet denken aan Radna Fabias. Ik ben een donkere vrouw op een koud plein en de trompettist speelt voor mij. Om niet.

Niet omdat de muzikant, die ondanks de muziek niet helemaal van zijn dreiging is ontdaan, dat heeft gevraagd of er als vanzelfsprekend van uit is gegaan, maar om dat de ik dat zo wil.

Die ik biedt niet en denkt niet aan een ander.

Hier plopt het beeld. Vroeger was ik erg van de dia’s. Als zo’n dia voor de lens en in de hitte van de draaiende projector kwam, dan zag je soms eerst een diffuus beeld, dan hoorde je een plopje en prompt was het beeld helder en zag je wat je zag. Zoiets. Het beeld veranderde. In dit geval plopt het beeld van stelligheid en onverschilligheid, zeg maar rustig, van een asociale houding, naar het tegendeel. Hier zit of staat iemand alleen maar ontvankelijk te wezen voor de muziek die de muzikant speelt: ik bied niets en ik denk niet aan een ander.

Een afwezig ik. Zoals ik nu met dat gedicht.

Radna Fabias, Habitus. Gedichten. De Arbeiderspers, Amsterdam / Antwerpen 2108.

Steven van der Gaauw ontwerpt voor Liter vier keer per jaar een kaart met daarop een literaire tekst. Deze kaarten zijn te bestellen via www.leesliter.nl

Submit to FacebookSubmit to Twitter