door Len Borgdorff, 13 juni 2018

 

De dag begint goed. Als ik in alle vroegte even naar buiten kijk, glippen het wijde blauw van lucht en de in de verre diepte gelegen oceaan door het raam naar binnen. Maar ik kruip nog even naast de liefde. Ze slaapt en dus pak ik Pessoa er maar weer bij. Ik ben net begonnen in Het boek der rusteloosheid, een nogal puberaal boek waarvan ik nog niet helemaal begrijp waarom een groot deel van de mensheid er zo verrukt van is. Dan lees ik en lees een stukje met de datum van 25 december 1929: ‘Om de hoek van de smalle straat klonk de luide kreet van de eerste loten verkoper, en de spijkers in de kisten uit de winkel aan de overkant glinsterden in de opgeklaarde lucht.’

 

 

De jonge dag droeg al zoveel geluk aan, maar nu ben ik zelfs zielsgelukkig. Dat ik zomaar mag tuimelen in de vanzelfsprekendheid van een Portugese kerstochtend in 1929 met nieuwe kisten waarvan de spijkers nog glinsteren in de zon. Dat moet jarenlang gewoon geweest zijn in de smalle straatjes in Lissabon. Voor winkels uitgestalde kisten waarvan je de nieuwheid nog ruiken kon.

Thuis, op zolder, maar ook in de schuur, staan nog twee oude groentekisten. Ik kan ze niet wegdoen, omdat hun vanzelfsprekendheid van ooit voor een Westlander als ik ben, zo onvanzelfsprekend geworden is. Maar het hout is niet wit meer, maar van een onbestemd bruin-grijs en van de spijkerkoppen zullen nooit meer lichtvonken kunnen opspringen door het zonlicht. Om diezelfde redenen van nostalgie heb ik ook nog twee minuscule tomatenkistjes, van 4 bij 6 centimeter, denk ik, maar daar zitten volgens mij geen spijkertjes in. Waarschijnlijk wel in de originele kistjes, maar van glinsterende spijkers weet ik niets. Dat weet ik nu gelukkig wel van de kistjes die ergens in Lissabon voor winkels werden gezet. En iemand heeft het niet alleen gezien, maar het ook opgeschreven, zodat ik er een mooi begin van de dag aan overhoud, negentig jaar later.

 

Ooit haalden we van ons singelpand een deel van de zolder af. Dat werd een dakterras. De balken werden met lood bekleed. Er kwam een glaspui, met wit hout en een aluminium rand. Het combineerde mooi vond ik, dat honderd jaar oude huis en het moderne met nieuw materiaal afgewerkte terras.

Toen ik een keer met de trein van Utrecht in de richting van Driebergen reed, zag ik ter hoogte van de Ooster- en Westerkade mijn nieuwe dakterras tussen de andere daken. Het glinsterde in de zon. Het maakte me gelukkig. Ik weet nog dat ik toen moest denken aan zeventiende-eeuwse schilders, maar ook aan een dichter als Bredero, die genoten van het nieuwe van hun stad Amsterdam. Die stad moet rond 1620 net zo geflonkerd hebben als mijn dakterras dat ik in 1984 zag vanuit de trein. Nu lukt dat niet meer. De tijd heeft er ongetwijfeld een grauwsluier overheen gelegd en bovendien heeft het nieuwe station Vaartsche Rijn het dakterras onzichtbaar gemaakt.

 

Maar vanochtend, na de lucht en de oceaan, in bed met kisten met glinsterende spijkerkoppen die in 1929 nieuw staan te wezen in een straatje in Lissabon, kwam het allemaal terug. Ik moet nog tien minuten wachten tot ik de liefde kan vertellen dat ik gelukkig ben en dat we aan de drempel liggen van een prachtige dag, van alle tijd altijd nieuw.

 

Bernardo Soares [Fernando Pessoa], Boek der rusteloosheid. Bezorgd door Richard Zenith; vertaald en van nawoord voorzien door Harrie Lemmens. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam / Antwerpen 2005.

Submit to FacebookSubmit to Twitter