door Elizabeth Kooman

 

Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben. De lezer is niet de toeschouwer van een toneelstuk, maar de acteur die alle rollen uitbeeldt. De lectuur is zijn hoogst eigen creatie. De schrijver levert tekst, maar een artistiek werkstuk wordt het pas door het talent van de lezer.

 

Harry Mulisch

 

 

De bibliotheek waar ik werk, loopt achter. De mensen laten hun boeken nog ouderwets aan de balie door ons medewerkers op hun pas zetten en de teruggekomen boeken halen wij medewerkers bij stapels uit de inleverbak om ze daarna stuk voor stuk met zorg onder de scanner te houden.

 

De bibliotheek waar ik werk, loopt voor. In vriendelijkheid en klantcontact. Door die balie, waar iedereen langskomt voor hij of zij de bibliotheek weer verlaat. Om de boeken op de pas te laten zetten, ja. En voor een glimlach, voor een mopper over de opnieuw ingedeelde romankasten, of voor een mooi gesprekje over de genoegens van het lezen.

 

Op een middag komt een oma met haar logerende kleinzoon bij mij aan de balie. Hij mag boeken lenen op de pas van oma, oma zelf heeft ook iets uitgezocht. Een jaar of zeven schat ik de jongen. Ik raad welke boeken van de stapel voor hem zijn, en welke voor zijn oma. Goed geraden. ‘In oma’s boeken staan helemaal geen plaatjes’, merkt de jongen op. Oma en ik vertellen samen dat je de plaatjes er zelf bij kunt maken. In je hoofd. Ik buig me voorover, die balie zo klein mogelijk makend. ‘Weet je’, zeg ik zachtjes, ‘die schrijvers denken wel dat zij het verhaal hebben gemaakt, maar dat is helemaal niet waar. Pas als jij het verhaal leest, is het af. Jij doet het halve werk.’ ‘Echt?’, vraagt het jochie, en kijkt me peinzend aan. ‘Zeker weten’, zeg ik, de eeuwige twijfelaar, maar nu even niet, en wens de twee een gezellige dag samen. Met een glunderend glimlachje loopt het jongetje weg. Verheugd over zijn boeken. En over de kracht van het lezen.

Submit to FacebookSubmit to Twitter