door Len Borgdorff, 2 november 2016

 

Vanwege mijn rug kan ik nauwelijks op en neer. Aanvankelijk kon ik daarvoor geen verklaring vinden, maar nu denk ik dat dit het gevolg is van een abrupt gekanteld wereldbeeld. Het regende woensdagochtend en daarom bood ik mijn lief aan om haar met de auto weg te brengen voor het wekelijks bezoek aan haar moeder. Zij lachte om die regen en ging liever met de fiets. Toen ik haar uitzwaaide, was het nog droog, maar zodra ze uit zicht was, viel de regen bij bakken neer. Vijf minuten later was ze nog niet terug en opnieuw groeide mijn bewondering voor haar volharding.

 

Een half uurtje later was ze er wel. Kletsnat. Bij de Rode Brug was er een auto uit een zijstraat gekomen. Die was voor haar gestopt, zo leek het, maar vlak voor haar neus was hij opgetrokken. Onmiddellijk had mijn lief haar remmen in getrokken en het stuur een ruk naar rechts gegeven. Al net zo direct was de chauffeur op de remmen gaan staan. Hoe dan ook: ze hadden elkaar niet geraakt, al was lief wel met flinke smak op straat terecht gekomen. De plotselinge val had zich meteen vertaald in stijfheid en daarom was ze door de regen naar huis komen lopen, ook al was er met de fiets niets aan de hand.

 

Ik hielp haar uit haar natte goed, zag de schaafwonden op haar arm, hoorde aan hoe ze pijn had aan haar schouder en kreeg te horen dat haar vader zou zeggen: gevallen in een plas op straat. Ik kende haar vader van heel veel uitdrukkingen, maar deze was nooit bij me langsgekomen. Wel: ‘Wie mooi wil zijn, moet pijn lijden,’ zei hij als ik voor een tentamen zat. En als hij koffiedronk, terwijl ik bijvoorbeeld het gras maaide, was het: ’t Is goed om in de zon te zitten en toe te zien hoe and’ren spitten,’ terwijl hij een maaltijd vaak afsloot met ‘Hoe ’t verder Pijpje Drop vergaat / staat in de volgende Automaat,’ dat in zijn jeugd de vaste afsluiting was een van vervolgstrip die intussen in een kwaad daglicht is komen te staan, wat rond 1930 anders lag. Maar nogmaals: ‘gevallen in een plas op straat’ was nieuw voor me.

 

Woensdagmiddag brachten lief en ik alsnog met de auto een bezoek aan mijn schoonmoeder, de weduwe dus van de volgeling van Cats. Zij kende de uitdrukking nog heel goed en ze wist ook dat die altijd langskwam wanneer een van de kinderen gevallen was en ongetwijfeld moest die uit een verhaal of versje komen, maar welk? Daarvan had ze geen idee, zei mijn schoonmoeder. Misschien probeerde ze daarmee haar dochter te beschermen, maar dat hielp niet, want in een verzorgingstehuis schuifelen meer verborgen bronnen rond dan je zou denken en zo kwam ik er nog tijdens de thee achter dat het hier ging om een verbastering van vers 3 van psalm 36, in de berijming van 1773.

 

Psalm 36

Lees gedicht

 

Psalm 36

Bij U, HEER, is de levensbron;
Uw licht doet, klaarder dan de zon,
Ons 't heuglijk licht aanschouwen.
Wees, die U kennen, mild en goed,
En toon d' oprechten van gemoed
Uw recht, waar z' op vertrouwen.
Dat mij nooit trotse voet vertrapp',
Noch boze hand in ballingschap
Ellendig om doe zwerven.
Daar zijn de werkers van het kwaad
Gevallen in een plas op straat,
Waarin zij hulp'loos sterven.

 

De voorlaatste regel komt in oude psalmboeken voor als ‘gevallen in een jammerstaat’, maar de regel die daaraan vooraf gaat vertelt dat het werkers van het kwaad zijn die vallen in een plas op straat. Dat hadden ze me tot nog toe niet verteld. En omdat niets zonder betekenis is, pijnig ik mij nu de hersens af, wat de vrouw die ik zo graag mijn lief noem tot een werker maakt van het kwaad, en waarom ik daar nu pas iets van te weten krijg, nog wel door een verspreking van haarzelf. Mijn wereld maakt slagzij en ik heb het ervan in mijn rug.

Submit to FacebookSubmit to Twitter