door Len Borgdorff en Stevo Akkerman, 21 december 2015

 

‘Christenen kunnen niet schrijven’, schreef Stevo Akkerman in Trouw. Len Borgdorff daagde hem in een briefwisseling uit samen verder na te denken over literatuur en geloof. Eerder deze zomer publiceerden we deze brieven afzonderlijk; hieronder volgen de brieven nogmaals op een rij. 

 

Brief 1 van Len Borgdorff

Utrecht, 18 juli 2015

 

Beste Stevo,

 

Je schreef Donderdagmiddagdochter. Daarin legt de verteller, hij heet Stevo, een moeizame zoektocht af naar een andere wijze van geloven. Die zoektocht, valt me op, wordt vooral negatief bepaald: door onvrede met het gesloten systeem en de besloten wereld van de vrijgemaakt gereformeerde kerk waarin hij in zijn jeugd wordt geconfronteerd, en door zijn groeiende afkeer van de evangelische richting die de vrouw van Stevo, Maria, inslaat.

 

Jouw roman trok veel aandacht en werd twee keer bekroond, zowel met de Vlaamse prijs voor het beste spirituele boek als met de CLO Literaire Juryprijs. Je boek is literatuur. Het zal tot fictie gerekend worden, maar je laat er zelf geen misverstand over bestaan dat alles wat er in staat geen constructie is, geen bedenksel, maar een weergave van werkelijke gebeurtenissen en van gedachten van een verteller die samenvalt met de schrijver. Het is een egodocument bij uitstek, een literair egodocument.

Naar aanleiding van een lezing publiceerde je op 23 mei in Trouw het artikel ‘Wie gelooft, kan niet schrijven’. De titel is even prikkelend als misleidend en duidelijk niet door jou bedacht, want het is een uit zijn verband gerukt citaat. Maar ik vind het een vondst.

 

De mensheid kent jou vooral als journalist, maar je bent ook literator. Je publiceerde drie romans en schreef (schrijft?) gedichten en met het artikel in kwestie laat je een kant van Stevo Akkerman zien die mij bijzonder boeit. Daarom ben ik blij dat je met mij wel wat brieven wilt uitwisselen. Excuses voor de brief tot nu toe. Jij weet dit allemaal al, maar ik schrijf dit vooral de mensen die over onze schouders meelezen.

 

Ik wil je wat vragen. Hoe kwam je ertoe om Donderdagmiddagdochter te schrijven en dan ook nog eens op deze manier?

 

En nog iets. Met boek en artikel wordt het erg verleidelijk om je een christelijk auteur te noemen. Dat wordt doorgaans geen aanbeveling genoemd. Je zult vast niet schrijven omdat het christelijk geloof je zo bezighoudt en je zult ook niet schrijven voor een publiek dat jouw boeken alleen om die reden zou lezen, maar voor mensen die graag een goed literair werk lezen. Maar ja, je laatste roman heeft geloof als een hoofdthema en je schrijft zelf over het auteurschap van christenen. Waar sta jij? Kun je iets meer zeggen over de verhouding tussen christen, of algemener: gelovig, zijn en schrijverschap?

En ja, ik heb nog meer vragen, maar voorlopig ben ik nieuwsgieriger naar jouw reactie dan naar mijn volgende vragen.

 

Grote groet,

 

Len

Brief 1 van Stevo Akkerman

Badhoevedorp, 21 juli 2015

 

Beste Len,

 

Ik wilde dat ik zonder zonde was, dan mocht ik stenen werpen – o, wat heerlijk lijkt mij dat. Ik wilde dat ik kon zeggen dat ik mensen niet indeelde in categorieën: christelijk, niet-christelijk, evangelisch, vrijgemaakt, orthodox, vrijzinnig, authentieke stemmen of aanstellers, schrijvers of kwezels. Dan kon ik je vragen wegwuiven en – neus in de hoogte – beweren dat het geen pas geeft te willen weten of ik een ‘christelijke auteur’ genoemd mag worden en, minder ernstig, of Donderdagmiddagdochter een geval is van fictie of non-fictie.

 

De wereld is te groot en huisvest te veel mensen om het rubriceren achterwege te laten. Natuurlijk zouden we recht moeten doen aan de onwaarschijnlijke opstelsom van eigenschappen die elk individu is, maar daar hebben we geen tijd voor en ook helemaal geen zin in, en dus kiezen we voor de shortcut van de stereotypering: geef even wat trefwoorden, dan weten wie je bent en wat we aan je hebben.

 

Ik doe het ook, dat zei ik al. Maar als anderen mij op deze manier willen vangen, dan ga ik spartelen. Omdat het label voelt als een dwangbuis. Christelijk auteur? Wat betekent dat? Dat mijn boeken thuishoren in de christelijke boekhandel? Maar daar ligt allemaal zoetgevooisde rommel. Dat ik christelijk schrijf? Maar ik zou niet weten hoe dat moest. Dat ik een christelijk publiek wil bedienen? Maar dat vind ik veel te beperkt. Dat ik een christen ben? Maar ik klamp juist graag vast aan die strofe van Czeslaw Milosz: 

 

Heb begrip voor mensen met een zwak geloof.
Ik geloof ook de ene dag wel, en de andere niet.

 

Voor Donderdagmiddagdochter schreef ik twee andere boeken, en zelf dacht ik altijd dat mijn tweede, De inboorling, eigenlijk over verzoening ging en dat je het, als je zou willen, een christelijk boek zou kunnen noemen. Maar voor zover ik weet heeft niemand het zo gelezen. Het lag zeker niet in de christelijke boekhandel.

 

Ja, in Donderdagmiddagdochter komt het geloof zeer expliciet ter sprake, het bevat zelfs een credo, hoe minimalistisch ook: ‘Ik geloof dat God bestaat en verder weet ik het niet.’ Het is een credo dat ik heb moeten veroveren op de vrijgemaakte en evangelische wereld die mijn achterland is.

 

Wat is er tegen het een autobiografische roman te noemen? Dat zou mijn voorkeur zijn. In uitgeverstermen heet het literaire non-fictie, dat mag ook. Ik wilde in elk geval dat voor de lezer duidelijk zou zijn dat niets verzonnen was. Was dat wel zo geweest, dan zouden ook de passages over het totalitaire systeem van de vrijgemaakten en de niet-onschuldige evangelische malligheden als fictie gelezen kunnen worden – dat was niet mijn bedoeling.

 

Kun je mijn overwegingen een beetje volgen? Ben jij een christelijke dichter? Is Liter een christelijk literair tijdschrift? Dat staat wel op het omslag. Ik ben wat boeken aan het klaarleggen voor de vakantie. Lila van Marilynne Robinson. Stilte van Shusaku Endo. God, een open vraag van Anton Houtepen. Je zou er bijna iets van gaan denken.

 

Het is tijd om rust te zoeken. Of zoals Nijntje het zegt:


Als ik dan van al dat schrijven
toch wel erg ben afgemat
ga ik lekker zitten lezen
o, wat heerlijk lijkt mij dat.

 

Hartelijke groet,

 

Stevo

 

Brief 2 van Len Borgdorff

Utrecht, 1 augustus 2015

 

Beste Stevo,

 

Dat ik voor de ochtendkoffie een brief mag lezen met de mooie openingszin die jij me biedt! Dank. Zo krijgt ook de dag een mooi begin. Ik wist overigens niet dat je zo graag stenen gooien zou. Mooi ook, dat je juist refereert aan de passage waarin Jezus iets op de grond schrijft. Dat moet het eerste christelijke gedicht zijn geweest, zou ik zo denken. Maar ik ga weer terug naar dat gooien. Inderdaad wil Jezus hier vooral zeggen dat je dat niet moet doen, en iemand anders ook niet. Jij zou juist graag willen gooien, maar houdt je in. Het lijkt trouwens wel mee te vallen, die werpdwang. Liever dan dat zou je je willen distantiëren van allerlei pogingen tot rubriceren. Niet gooien maar weglopen. Bij uitstek het terrein van de literatuur: waar hokken en vakken en helderheid hun bestaansrecht grotendeels verliezen.


Dat lijkt mij ook wel wat. Maar ik kan me ook vinden in je opmerking dat een beetje rubriceren wel praktisch is zolang het maar niet al te dicht bij jezelf (en de werkelijkheid, voeg ik er aan toe) wil komen. Dat geldt voor geloof dat zich uitkristalliseert in kerkgenootschappen, in duidelijke verwachtingen en opvattingen van derden, maar ook voor ideeën over wat literatuur wel of niet is.


Dat laatste is me na tientallen jaren voor de klas steeds moeilijker gaan vallen: steeds maar weer moeten uitleggen wat literatuur wel is en waarom niet. Daar kun je moe van worden en geen zin meer in hebben. Met gelovig zijn zit het net zo: ik heb me geregeld voorgenomen om alleen nog maar stiekem te bidden en naar buiten toe niets meer van geloof en eventuele twijfels daaromtrent te laten merken. Ik heb weliswaar een groot gebrek aan zekerheden, maar mis ze niet. Het lijkt me maar niks om anderen wel met zekerheden te moeten opzadelen.


Nog even over de christelijke schrijver: Willem Jan Otten noemt zich geen christelijk schrijver. Hij is schrijver. Punt. Wel is het zo dat uit heel veel van wat hij schrijft, blijkt dat de religie, concreter: de christelijke religie, hem bezig houdt. Zoals je bij een classicus die poëzie schrijft ook vaak onmiskenbaar blijkt dat zij (Christine D’haen) of hij (Piet Gerbrandy) classicus is. Maar Otten is geen hele of halve theoloog, hij is iemand die zijn visie op de wereld, zijn waarden en normen, heel duidelijk lieert aan het algemeen twijfelend christelijk geloof. En dat kom ik ook tegen bij jou en bij de door jou genoemde groten als Miłosz, Robinson en Endo, om me even tot hen te beperken.


Het belang van een al dan niet christelijk publiek kunnen we afkaarten door te zeggen dat het er op zich niet toe doet. Al denk ik dat hele volksstammen juist vanwege allerlei christelijk te noemen noties werk links laten liggen. Ja, ook ik lees momenteel in Marilynne Robinson. Pittig werk, maar of een niet in religie geïnteresseerde, niet religieus opgevoede lezer dit boek gaat zitten lezen…


We kunnen besluiten om de notie christelijk voorlopig niet meer te verbinden aan een doelgroep. Maar ik blijf naar aanleiding van jouw brief zitten met de vraag waarom je, niet voor het eerst, met dat citaat komt van Miłosz: Heb begrip voor mensen met een zwak geloof. / Ik geloof ook de enen dag wel, en de andere niet.’


Tegen wie zegt Miłosz dat? Tegen een publiek. Waarschijnlijk lezers die hem misschien niet gelovig genoeg vinden, al is een omgekeerde uitleg ook mogelijk. Maar het is en blijft een verontschuldiging jegens het publiek. Waarom zeg jij: ‘Maar ik klamp me juist graag vast aan die strofe […]’? Om jou ter wille te zien wil ik de kwestie wel snel afkaarten, maar jij houdt me toch een beetje tegen. Niet eens zozeer om iets duidelijk te maken aan het publiek dat behoort tot een kerkgenootschap waarvan jij afscheid hebt genomen maar vooral ook door wat je bijvoorbeeld zegt over een van je andere boeken.


De Inboorling en Vals weerzien heb ik niet gelezen. Daar ga ik wat aan doen. In je brief vertel je dat De Inboorling over verzoening gaat en dat het daarom wel een christelijk boek genoemd kan worden. ‘Maar,’ schrijf je, ‘voor zover ik weet heeft niemand het zo gedaan.’ Los van weer die aandacht voor het publiek lees ik hier ook dat je niet eens zozeer een christelijk boek hebt willen schrijven, maar dat een thema dusdanig wordt uitgewerkt dat je het – achteraf – zo zou kunnen noemen. Daar word ik tamelijk gelukkig van. Ik begrijp uit de manier waarop je het zegt, dat jij niet beoogd hebt een christelijk boek te schrijven, maar dat er in jouw boek noties een rol spelen die je als schrijver bij nader inzien christelijk kunt noemen. En ik veronderstel dat ook een lezer dat kan vinden. Dan zou dat zomaar een christelijk boek kunnen zijn.


Bij The power and the glory van Graham Greene is dat christelijk-zijn evident: alleen de titel en hoofdfiguur die priester is, zijn veelzeggend genoeg. Maar hier is het vooral de uitwerking van de thematiek die er een ‘christelijk’ boek van maakt: geloof, schuld, aanvaarding. Christelijk-zijn kent echter allerlei aspecten: ethische, religieuze, historische, culturele. De eerste twee kunnen goeddeels samen vallen, maar dat hoeft niet. In Greenes boek over de Mexicaanse priester zie je dat. Het geloof van de priester, hoe halfslachtig dat ook is, brengt hem tot daden die niet zomaar voortkomen morele overwegingen, niet uit met medemenselijkheid.


Ik realiseer me overigens dat een morele notie is vaak een grote rol speelt in wat je misschien christelijke literatuur zou kunnen noemen. Nu zal ik Het diner of ander werk van Herman Koch niet gauw christelijk noemen, maar een morele kwestie is in zijn boeken als een stevig donderbui aanwezig. Alleen op grond daarvan al zou een bespreking ervan in Liter een bespreking op zijn plaats zijn.


Daarmee geef ik je al het begin van een antwoord op jouw vraag of Liter een christelijk tijdschrift is. Ja, want er is bijzondere aandacht voor literatuur waarin morele kwesties een rol spelen en waarin religiositeit een rol speelt. De term ‘literair’ laat ik in deze brief, zoals je merkt, als een los eindje bengelen; misschien iets voor later.


De brief wordt lang, Stevo. Te lang. Ik schrap een paar alinea’s.


Jij eindigt je brief met woorden van Nijntje. Alles van Bruna is een aanstekelijke Bejahung van het leven. Geniet van je vakantie. Ik ben dat ook van plan.


Grote groet,


Len

 

Brief 2 van Stevo Akkerman

 

Tolentino, 4 augustus 2015

Beste Len,

In de staart van je brief schuilt iets fraais. Ik had Nijntje geciteerd (‘Als ik dan van al dat schrijven, toch wel erg ben afgemat/ ga ik lekker zitten lezen/ o wat heerlijk lijkt mij dat’) en nu noem jij het werk van Dick Bruna de ‘Bejahung’ van het leven. Ik stel me voor – en laten we dit niet checken – dat de naam van onze heldin in het Duits met ‘ei’ wordt gespeld, waarop Neintje de Bejahung van het leven wordt; dat doet ze knap.

Ik zit hier trouwens op een heuvel ten zuiden van Tolentino, en vanaf de veranda zie ik rechts van me het Lago della Grazie, terwijl daar achter het Sibillini-gebergte opdoemt, bergkam na bergkam, en daarboven zweven de wolken, zodat het lijkt alsof de toppen schitteren in de sneeuw, en misschien zijn het ook wel toppen en helemaal geen wolken: aarde en hemel raken elkaar daar in de verte en het is niet eenvoudig te zeggen waar het een ophoudt en het andere begint. Mensen die terugkeren van die hoogte brengen soms de wonderlijkste dingen mee: twee stenen tafelen, tien geboden, honderdzesendertig verboden, duizendenéén verhalen – en ik kijk naar de wolken en weet niet wat ik zie.

‘Heb begrip,’ schrijft Milosz, ‘ik geloof ook de ene dag wel en de andere dag niet.’ Dat veronderstelt een publiek, zeg je, en dat is zo. Gaan we ervan uit dat Milosz een gelovig publiek in gedachten heeft – ik had er niet bij stilgestaan dat het omgekeerde ook mogelijk had kunnen zijn, een prikkelend idee, dat echter wordt gelogenstraft door de rest van het Theologisch Traktaat, waar deze strofe deel van uitmaakt – dan moet je concluderen dat de schrijver dat publiek een zekere macht toekent, de macht om wel of geen begrip te tonen. En de schrijver hecht aan de beslissing van het publiek: ‘heb begrip’.

Citeer ik hem daarom zo graag en vaak? Hier zou ik een dapper neen willen laten horen – mij kan het publiek absoluut niets schelen. Maar eerst dit: ik ben, dankzij de publicatie in Liter enige jaren geleden, een grote liefhebber van het héle Traktaat. Het is voor mij alsof Milosz in deze cyclus - die uiteraard nauwelijks iets van doen heeft met de biografie van een gereformeerd groot geworden jongen uit Nederland – mijn eigen leven beschrijft. Zo sterk kan de kracht van literatuur zijn, en dan moeten we het later nog maar eens hebben over de vermoeiende vraag of literatuur gedefinieerd kan worden ter onderscheiding van non-literatuur.

Natuurlijk kan het publiek me iets schelen. Anders had ik Donderdagmiddagdochter – vooral die – net zo goed ongepubliceerd kunnen laten. En ik wilde graag een zo breed mogelijk publiek; niet dat ik daar bij het schrijven rekening mee hield, maar wel bij de manier waarop ik het boek de wereld in wilde sturen. Vervolgens kreeg het, en ik kan niet zeggen dat dat me verbaasde, toch vooral veel weerklank in christelijke kring – geen kwaad woord daarover, al had ik ook geen bezwaar gehad tegen wat recensies in de deftigste kranten en bladen. Nu was het zo, ik moest het na verloop van tijd met enige verbazing constateren, dat mijn beste vrienden bij de EO bleken te zitten. Mijn vrienden van de Vara – ik zat ook bij ‘Spijkers met koppen’ – niet te na gesproken. In Liter stond overigens ook een heel mooie bespreking.

Maar zoek ik begrip van het publiek? Van het gelovige publiek? Dat weet ik eigenlijk niet. Misschien is het beter te zeggen dat ik, al dan niet bewust, altijd in gesprek ben met mijn orthodoxe verleden, zelfs als ik afkeuring zoek, want dat komt ook voor. Ik ben er los van, op dezelfde manier als ik los was van mijn vader toen ik niet langer thuis woonde – nog lang hoorde ik hem ’s avonds de trap opkomen en dat was het zaak zo snel mogelijk de sigaret te doven en de muziek uit te zetten.

Dieper nog: ik vermoed dat ik me vast klamp aan Milosz, omdat het me geruststelt dat een grote geest als hij blijk geeft van dezelfde twijfel en de worsteling die mij parten speelt – als hij mag, dan ik ook. En als ik alle begrip heb voor hem, dan misschien ook wel een beetje voor mijzelf.

Waarom heb jij je geregeld voorgenomen alleen nog maar stiekem te bidden, Len? En de buitenwereld niets meer te laten merken van je geloof en eventuele twijfels? Daar wil ik alles over horen. Dat je je dit geregeld hebt voorgenomen, doet vermoeden dat je toch steeds weer bezweek, is dat zo?

Ik heb niet al je vragen en opmerkingen beantwoord, maar ik vertrouw erop dat jij als regisseur van deze conversatie in de gaten houdt of belangrijke of zelfs zeer belangrijke zaken blijven liggen. Twee dingen tot slot: ik ben gelukkig met de manier waarop je begrijpt dat ik De inboorling vindt handelen over verzoening, maar van mij hoeft het geen christelijk boek te heten. Netzomin als ik een christelijke schrijver wil zijn; ik wil schrijver zijn, zonder bijvoegelijk naamwoord.

 

Groet,

 

Stevo

Brief 3 van Len Borgdorff

Utrecht, 27 augustus 2015

Dag Stevo,

 

Stevig gefietst in Engeland, zonder tablet of wat dan ook. Daarom reageer ik laat. Wel las ik intussen de reacties van K. Schippers op de Tien Geboden van Arjan Visser, in Trouw. In mijn ogen is Schippers al een leven lang op aanstekelijke wijze jong. Ik geniet van zijn gedichten en romans, ook al een leven lang. Maar Schippers kan niets met de tien geboden, hij wil er ook niks mee, doet zelfs een beetje narrig en badinerend. Het geloof is niet bij hem langsgekomen, zoveel is wel duidelijk. Hij zegt ergens dat hij als schrijver volstrekte vrijheid wil hebben, onbekend terrein wil betreden en daarmee veronderstelt hij dat een geloofsovertuiging hem in de weg zou kunnen zitten. Ik had van een man als Schippers een spitsere reactie verwacht. Het is wat makkelijk allemaal; de opvatting dat geloof creativiteit in de weg zou zitten zijn we al eerder tegengekomen. Zeg eens iets anders of onderbouw het, zou ik denken.

 

Ik moet zeggen dat ik al heel lang vrijwel niets gelezen heb waarbij een prachtig literair werk doordrenkt was van geloof. Ja, bij Marilynne Robinson van wie ik momenteel Thuis lees, druipt de zwaarte ervan af. Geloof als bron van veel zwaarmoedigheid. Maar voor een acceptabel tegengeluid moet ik wat verder terug in de tijd. Ik ben erg gecharmeerd van Vondel en zijn Wie is het die zo hoog gezeten, om maar iets te noemen, spreekt mij erg aan. Zijn barokke stapelingen van grondeloosheid en licht op licht op licht: prachtig, prachtig. Weliswaar ben ik van zijn belerende Kinderlijk minder onder de indruk, maar dan is daar Uitvaert van mijn Dochterken. Geen troost, alleen verdriet van een vader om het overlijden van zijn kind. De geloofskanon die Vondel is, schrijft ook schitterend werk als hij met dat geloof helemaal niets kan. Vondel is een literaire grootheid, een literaire persoonlijkheid en die kom je voortdurend tegen, in al zijn oprechtheid. Ik bedoel maar: als bij Vondel geloof een rol speelt, is dat ook puur, doorleefd. Of deze Vondel ook erg van het geloof vervuld was als hij een ei bakte, weet ik niet, en dat doet er ook niet toe. Ik blijf van Vondel houden, maar we moeten maar niet te ver teruggrijpen in de tijd om iets over de relatie tussen literatuur en religie te zeggen.

 

Al zou ik wel willen weten wat Vondel gevonden zou hebben van Kellendonks ‘oprecht veinzen’. Zo noemt Frans Kellendonk het geloof dat hem voor ogen staat. Daar heb ik wel wat moeite mee. Waarom veinzen? Waarom zou je geloof moet veinzen op het moment dat je er niet mee uit de voeten kunt? Ik ga even terug naar de meer of minder gelovige schrijver.  Die hoeft al schrijvend toch niet te zitten veinzen? Die zet toch iets echts neer, waarin hij of zij op dat moment gelooft? Ik herinner mij een uitspraak van Wouter Nijhoff, zoon van de grote Martinus. Deze Wouter veronderstelde dat zijn vader alleen maar geloofde op het moment dat hij daarover schreef. De zoon deed daar nogal laatdunkend over en dat kan ik mij wel voorstellen: hij had het over zijn vader. Maar ik heb alleen met het oeuvre te maken van de dichter die Nijhoff was. En wat daarin staat, is eerlijk en was dat ook toen het ontstond.

Alexis de Roode merkte onlangs op dat Willem Barnard in zijn liederen veel geloviger is, en veel vrolijker gelooft ook, dan in zijn poëzie. Dat ligt voor de hand, zou je zeggen, want die liederen zijn duidelijk bedoeld voor gebruik door anderen. Maakwerk is het, opdracht. Maar ik veronderstel dat Barnard, net als Nijhoff, ontzettend zat te geloven in wat hij schreef en dat hij al zijn talent aansprak om een mooi, treffend én eerlijk lied te maken.

 

Net als Schippers, met alleen dit verschil dat diens bezieling blijkbaar niet ook voortkomt uit religieuze overtuiging of twijfel.  Schippers veronderstelt dat religieus geloof literaire mogelijkheden dwarsboomt en hij gaat er gemakshalve vanuit dat het daarom maar goed is dat hij geen last heeft van de belemmering die religie in zijn ogen blijkbaar is. Ik denk dat dat in zijn algemeenheid niet waar is. Integendeel.

 

Wel denk ik dat literatuur die aanduiding niet waard is als ze louter middel wordt om anderen ergens van te overtuigen. In het geval van Donderdagmiddagdochter, zeg jij, had jij een publiek voor ogen en je wilde dat iets duidelijk maken over jouw geloof, jouw afrekening, jouw zoektocht. Maar het ging om wat jou bezig hield, jou bezielde, in ieder geval tijdens het schrijven (understatement).

Ik moet stoppen, Stevo. Ik ben niet tevreden met mijn brief: niet te geloven wat ik allemaal aan opvatting zit te ventileren. En vragen? Ho maar.

 

Jouw brief ligt naast me. Aan het eind zeg je dat ik de regie heb in onze briefwisseling. Daar heb ik dan heel weinig van laten merken. Misschien een volgende keer.

 

Met grote groet,

 

Len

 

Brief 3 van Stevo Akkerman

 

Badhoevedorp, 10 september 2015

Beste Len,

 

Wie schrijft en het geschrevene de wereld instuurt, moet haast wel willen communiceren. Je zou kunnen zeggen dat zo iemand een boodschap heeft, dat hij iets wil vertellen. Of misschien wil hij laten zien wat voor knappe kunstjes hij kan doen met de taal – dat is ook een boodschap.

 

Laat echter het woord ‘boodschap’ vallen in onze dagen en menigeen deinst vol afgrijzen terug: alles mag in de kunst, maar voor boodschappen gaan we wel naar de Lidl. Of naar de Marqt, als we ons dat kunnen veroorloven en er parkeerruimte is voor onze Volvo. Misschien vergis ik me en is de postmoderne weerzin tegen ‘de grote verhalen’ alweer op zijn retour, zo goed volg ik het allemaal niet. Maar mijn indruk is dat in de literaire salon nog altijd de neiging heerst om boeken te reduceren tot hun vorm, en levensbeschouwelijke noties – vooral als die afwijken van wat gemeengoed is geworden – met enige huiver tegemoet te treden, of liever nog geheel te omzeilen.

 

Zou het kunnen dat de door jou genoemde K. Schippers het geloof daarom ziet als een bedreiging voor de vrijheid van de schrijver? Dat hij bang is dat de boodschap het boek vermoordt? Dan neemt hij spiegelbeeldig dezelfde positie in als de christelijke orthodoxie die de vrijheid van de schrijver ziet als een bedreiging voor het geloof.

 

Zelf wil ik door een boek worden aangesproken op beide niveaus, dat van de taal als het voertuig van de boodschap, en dat van de boodschap zelf, in de vorm van het verhaal. En dan bedoel ik per se niet dat ik het met die boodschap moet instemmen, als dat al aan de orde is: vaak vraagt een vertelling helemaal niet om een dergelijke reactie. Maar Celine’s Reis naar het einde van de nacht heb ik niet uitgelezen omdat het nihilisme me te veel werd, en van Shusaku’s Stilte heb ik deze zomer genoten vanwege de grote humaniteit die eruit sprak.

 

Natuurlijk: weet een schrijver zijn bekeringsdrift niet te beteugelen, dan kan zich dat tegen zijn boek keren. Maar ik heb mij er niet aan gestoord dat Louis Paul Boon ‘de wereld een geweten wilde schoppen’ met De kleine oorlog, noch dat W.F. Hermans het geweten beschreef als niet veel meer dan een schaamlap. Het heeft bij literatuur geen zin te willen determineren waar de inhoud ophoudt en de verpakking begint – de lezer wordt geraakt (of niet) door de combinatie van beide, en geen lezer is hetzelfde.

 

Ja, bij het schrijven van Donderdagmiddagdochter had ik een publiek voor ogen, zij het nooit exclusief: hoe meer zielen, hoe meer vreugd. En inderdaad, ik wilde iets duidelijk maken over het geloof. Maar ik heb geen pamflet geschreven – en bij nader inzien vraag ik me ook af of de formulering ‘wilde iets duidelijk maken’ wel goed is. Ik wilde mijn verhaal opschrijven, ik wilde vertellen wat er allemaal gebeurd was, en dat in de literair sterkst mogelijke vorm. Maar niet als zomaar oefening in de vertelkunst – ik wilde ook iets kwijt.

 

Een pamflet doet een beroep op het denken van de lezer, maar een verhaal kan meer, omdat het kan toveren dankzij de suspension of disbelief, de lezer meevoerend naar werelden die hij niet kent, misschien niet eens zou willen kennen. Daar ligt, denk ik, de parallel met het ‘oprechte veinzen’ van Kellendonk, en met hoe Nijhoff als religieuze dichter ‘ontzettend zat te geloven in wat hij schreef’, zoals jij treffend formuleert. Daar is niets vals aan, als je het mij vraagt. Zoals Czesław Miłosz (mag ik hem nog eenmaal opvoeren?) de ‘biddende menigte’ van de katholieken van Krakau opzoekt om te kunnen mee-geloven, zo hebben dichters het woord opgezocht om hun disbelief op te schorten. Gerrit Achterberg:

 

En voor de duur van een gedicht geloven

 woorden en waarheid zich uw eigenaar.

 

Nog mooier is hoe Willem Barnard het verwoordde, sprekend over Nijhoff: ‘Hij geloofde in taal’.

Dat doe ik ook.

 

Groet, Stevo

Brief 4 van Len Borgdorff

Hällekil, 15 september 2015

 

Beste Stevo,

 

Je kunt je inderdaad afvragen of de postmoderne weerzin tegen kunst met een boodschap afneemt. Weliswaar heb ik mezelf lang beschouwd als een vormfetisjist, maar ik begin steeds vaker droevig te worden van stilistisch klatergoud en de verabsolutering van ironie en humor. Dat zijn geschikte middelen om wat groot en zwaar is lichter te maken, maar de inhoud mag er niet te veel door van kleur verschieten. Dat gebeurt nogal eens.

 

Jij zegt: 'Het heeft bij de literatuur geen zin te willen determineren waar de vorm ophoudt en de verpakking begint - de lezer wordt geraakt (of niet) door de combinatie van beide, en geen lezer is hetzelfde.' Even los van de vraag of het hier nu om de lezer of de schrijver gaat, volgens mij is het niet eens zozeer zinloos, het is onmogelijk. Er is maar één zijnswijze van een literair werk. De vorm maakt een inhoud mogelijk; een gedachte, een gevoel of wat dan ook brengt een vorm voort die vervolgens vraagt om een eigen voortzetting, van toon, herhaling, woordkeus, beeldgebruik, wat weer gedachten, opvattingen enz. oproept. Stijloefeningen van Raymond Queneau zie ik vooral als een ondersteuning hiervan. Ken je dat boekje? Queneau vertelt daarin 99 keer hetzelfde verhaal. Wat dus niet kan.

 

Literatuur is een ontdekkingsruimte. Je kunt een roman of gedicht geslaagd noemen als er een god-achtig product is ontstaan, een schepping met eigen pretenties en potenties. Dat moet de auteur kunnen beamen en de lezer moet al lezend tot dat inzicht kunnen komen. Dat woord 'god-achtig' bevalt me eerlijk gezegd wel. De God van de Bijbel wilde mensen maken naar zijn beeld. Gezien de grote verschillen tussen mensen is aannemelijk dat er niet een erg eenduidig concept aan ten grondslag heeft gelegen; in ieder geval kwam het niet tot een eenduidig resultaat. De programmering, ben ik geneigd te denken, kwam daarna pas, in de vorm van allerlei leefregels en andere opvattingen. Bij mensen noem je dat vrijheid (of het onvermogen om met die vrijheid om te gaan), bij een boek noemen we dat goede literatuur en daar bedenken wij weer allerlei regels en opvattingen bij. Als dat boek er al is.

 

Dat jij ooit Celine terzijde hebt gelegd, spreekt me erg aan. Je kiest ook je eigen vrienden, maar er zijn vast en zeker mensen met wie je niets hebt, die je zelfs tegenstaan, maar van wie je hun mens-zijn niet zult ontkennen, al noem je ze beesten. Ik las van de week De tijd die nodig is van Jens Christian Grøndahl. Ik zat klaar met allerlei morele oordelen en eerlijk gezegd heb ik die nu nog wel, maar in dat boek wordt zonder commentaar van een verteller het leven geschetst van een vrouw die, ook in eigen ogen, faalt als moeder. Er wordt vervolgens zoveel over haar verleden verteld dat ik mijn oordeel weliswaar niet echt herzie, maar dat vooral mededogen de overhand krijgt, iets wat me ook al overkwam met Thuis van Marilynne Robinson. Alle personen in dat boek schieten tekort, maar dat lijkt onontkoombaar, ze beantwoorden niet aan de verwachtingen en behoeften van anderen en al helemaal niet van zichzelf. Vreemd genoeg heeft hoofdpersoon Jack, de grootste mislukkeling en brokkenmaker, ook de meeste trekken van Het-Lam-Gods-Dat-De-Zonden-Der-Wereld-Wegneemt. Indrukwekkend en ver weg van literair klatergoud. Misschien moet ik van god-achtig maar waar-achtig maken, waar-achtig en waarachtig, als geslaagde intentie en als leeservaring. Maar ik houd het vanwege het scheppende element toch liever bij god-achtig.

 

We zijn nog niet bij de 'christelijke' literatuur, maar komen we er al niet een beetje bij in de buurt? Toch blijf ik, Stevo, nog wel een beetje zitten met boeken waarbij het engagement er duimendik bovenop ligt en die toch de moeite waard zijn. Jij noemt Louis Paul Boon en daar heb je een man die weergaloze boeken schreef met een betonnen engagement. Nee, we zijn er nog niet. Ik kom trouwens wel steeds met behoorlijk zware boeken op de proppen, waar je een scholier niet blij mee zou maken. Een goedmakertje kan ik nu trouwens niet bedenken.

 

Bedankt trouwens voor je leestip: Stilte van Shusaku. Nog even kom ik terug op de aanduiding 'oprecht veinzen'. Dat veinzen behelst zoveel onoprechts dat ik met die term niet uit de voeten kan, ook niet met het adjectief dat er een spannende paradox van probeert te maken. Voor mijn part noemen we literatuur een spel, zoals dan ook de schilderkunst dat is, of al dan niet klassieke muziek, maar geloof is in mijn ogen ook een spel. Je zult maar musicus zijn en nooit iets doen met muziek. Niet beoefenen, niet beluisteren. Bijvoorbeeld omdat er gezegd wordt dat het maar flauwekul is. Dat is geen leven. Dat wou ik nog even kwijt.

 

Ik schrijf je vanuit Zweden. Acht keer bezocht ik Scandinavië en nooit zag ik een eland. Ik verkondig ook steeds dat die beesten helemaal niet bestaan, behalve dan als afbeelding op een verkeersbord en als knuffel. Tot vanmorgen. Voor me stak er eentje op zijn dooie gemak de weg over. Ik had ruim de tijd om af te remmen en mijn ogen de kost te geven. Vanmiddag, daar betrapte ik me op, reed ik langzamer dan anders en hield ik nadrukkelijker bomen en struiken aan weerszijden van weg in de gaten. Ik heb besloten dat een teken ergens van te laten zijn. Ik moet op mijn qui-vive zijn.

 

Grote groet,

 

Len

Brief 4 van Stevo Akkerman

 

Badhoevedorp, 21 september 2015

 

Beste Len,

 

Acht keer bezocht je Scandinavië en al die keren verborgen de elanden zich voor jou achter de bomen, totdat ze zeker wisten dat jij hen niet meer zocht, dat je alleen nog naar andere dingen keek – de bomen dan maar, in hemelsnaam de bomen. En toen stak er een opeens vlak voor je ogen de weg over, doodgemoedereerd, alsof het hem niet uitmaakte dat jij had besloten dat elanden helemaal niet bestonden.

 

Dit moest een ergens teken van zijn, bedacht je. Maar waarvan? Ik weet het ook niet, maar aangezien je dit opvoert op het moment dat onze briefwisseling is aangeland bij de vraag of het literaire klatergoud het kan stellen zonder boodschap, sterker nog: of literatuur iets waar kan maken, ook in religieus opzicht, al was het maar voor de duur van een gedicht, vermoed ik een verband.

 

De vormfetisjist – zo heb je jezelf lang beschouwd, schrijf je – die op pad is gegaan om elanden te zien, raakt zo in de ban van zijn onderneming dat het zoeken zelf zijn doel wordt, en hoe langer de elanden zich schuil houden, hoe erger dat wordt: zoekt hij wel op de goede plek, hanteert hij wel de juiste hulpmiddelen, volgt hij wel de aangewezen techniek? Dat is het enige waar hij nog op kan letten – en dan stapt dat beest de weg op.

 

Ik laat me meeslepen door de vergelijking, en daarmee doe ik je onrecht, maar de verleiding is groot om te zeggen dat dit de boodschap van de eland is: laat de kunst van het zoeken niet de plaats innemen van wat je wilt vinden.

 

Verpakking of inhoud? Vorm of vent? Geef me beide. Vertel me verhalen, en vertel ze goed. En laat de vertelling dan, ook als iedereen erin faalt en onderuit gaat en anderen meesleurt, niet eindigen zonder een beetje mededogen op te roepen. Jou overkwam dat bijvoorbeeld met Thuis van Marilynne Robinson (dat boek is naar mij onderweg, zo heeft Amazon me verzekerd), mij overkwam het met haar debuut, Housekeeping, hoe rauw dat boek ook is. Ik mag Robinson overigens in november interviewen – wat zal ik haar vragen?

 

De komende drie weken heb ik mezelf schrijfverlof gegeven, in de hoop enige vooruitgang te boeken met een roman, en dat doe ik met in gedachten de opdracht van Francine du Plessix Gray: “One must observe with cruelty, describe with cruelty, yet end up with some sense of mercy.” Het is mijn ambitie een paar niet al te lelijke zinnen te maken, misschien zelfs een stuk of wat mooie, maar ik wil vooral het wrede verhaal vertellen van enkele mensen die elkaar treffen als gezinsleden. Om iets te vertellen over het leven.

 

“Uiteindelijk krijgt literatuur betekenis doordat de auteur iets op spel zet, zich committeert aan een onderwerp, een wereldbeeld, een emotie, een vraagstuk over zingeving of identiteit of wat dan ook,” schrijft Joost de Vries in het jongste nummer van De Gids. Want lo and behold, ook bij De Gids (sinds 1837) zijn ze verzeild geraakt in een gedachtewisseling over wat de roman kan doen. Maar ach, wat een moeizaam proza levert dat op. Niet uit de pen van De Vries – en hij heeft nog eens gelijk ook - maar wel uit die van zijn opponenten. Zij spreken onbekommerd van ‘mimetische literatuuropvattingen’ en reppen zonder gêne van een ‘radicaal relationisme’ dat bestaat uit ‘het verkennen van de mogelijkheden en beperkingen van de constructie van het individu (of subject) te midden van, en vooral ook door anderen’.

 

Moge Liter dergelijke wijsneuzerij bespaard blijven! Ook van mijn kant natuurlijk – ik heb hier iemand in huis die mij waarschuwt dat ik niet te ingewikkeld moet willen doen, en het lijkt me goed dat ter harte te nemen. Al beloof ik niets.

 

In hetzelfde nummer van De Gids wordt Frans Kellendonk geciteerd, en zijn lichtvoetigheid is een verademing bij alle deftigheid die men om zijn woorden heen drapeert. Dit is wat Kellendonk zegt over wat er gaande is in zijn werk: “Het is een ontwikkeling naar een grotere katholiciteit: van individu naar gemeenschap, van wijsgerig naar religieus, van hier tot gunder en, wat de publieke weerklank (…) aangaat, van het kastje naar de muur.”

 

Ook in onze correspondentie is Kellendonk ter sprake gekomen, vanwege het ‘oprechte veinzen’. Jij kunt er niet mee uit de voeten. En misschien is het ook wel een onmogelijke formule, die – daar gaan we weer – aantrekkelijk is als woordenspel, maar inhoudelijk te weinig betekenis heeft. Ik koos in mijn vorige brief voor de ‘suspension of disbelief’ als literair en religieus breekijzer – biedt dat meer perspectief?

 

En als we dan toch in hogere sferen belanden: jij stelt voor de roman of het gedicht te zien als een ‘god-achtig product’, zijnde ‘een schepping met eigen pretenties en potenties’. Maar is het niet logischer de schrijver god-achtig te noemen? De schepper in plaats van de schepping? Dat lijkt mij wel.

 

Maar ik weet niet of ik dan nog schrijver durf te zijn.

 

Groet, Stevo

Brief 5 van Len Borgdorff

Utrecht, 2 oktober 2015

 

Beste Stevo,

 

Waar is Stevo mee bezig? vraag ik me regelmatig af. Lukt het hem om te doen waarop hij hoopte nu hij zich heeft teruggetrokken in een schrijfhut aan de kust? Ja, ik houd me met je bezig, dat merk je wel. Ik begin me zelfs al met je te identificeren. Ik stel me voor dat ik daar in die schrijfhut zit.

 

Het zou een ramp zijn, want ik ben snipverkouden en heb een bonkende koppijn. Voor de buitenwereld kan ik de schijn nog ophouden omdat die niet veel van mij verwacht, maar ik kreeg de afgelopen drie dagen geen letter op papier. Hopelijk voel jij je goed, daar.

 

Zonder mijn grieperigheid had ik je een paar dagen geleden al geschreven, maar had ik wel anders moeten beginnen. Ik heb onze brieven nog eens doorgelezen en er het een en ander uitgehaald om te zien of er een rode draad dan wel losse eindjes te vinden waren. Het zijn maar brieven van twee mannetjes met een gedeelde belangstelling die hun terrein wat aan het verkennen zijn. Het is geen studie. En we hoeven ook niet verder te gaan dan wat jij en ik op een moment voor waarheid houden, waarbij jouw waarheid een andere is dan die van mij.

 

Maar over commitment zijn we het eens en ik dank je voor het citaat van Joost de Vries uit het jongste nummer van De Gids in je laatste brief. ‘Uiteindelijk krijgt literatuur betekenis doordat de auteur iets op spel zet, zich committeert aan een onderwerp, een wereldbeeld, een emotie, een vraagstuk over zingeving of identiteit of wat dan ook.’ In onze briefwisseling, Stevo, krijgen wereldbeeld, zingeving, identiteit een godsdienstige lading. Al hoeft dat dan weer niet het onderwerp van een tekst te zijn. In Donderdagmiddagdochter speelt religie op twee niveaus een rol, als onderwerp, maar ook op het niveau van zingeving, identiteit en moraal. In je tweede boek De inboorling is dat eerste veel minder het geval. De hoofdpersonen horen bij een kerkgenootschap, maar erg belangrijk is dat nu ook weer niet. Ik zou een roman waarin kerkelijke achtergrond een rol speelt ook niet zo gauw christelijk willen noemen. Als cultureel, maatschappelijk verschijnsel interesseert religie in de literatuur mij in die zin minder. En jou blijkbaar ook niet, als ik je opmerking over De inboorling goed begrijp. Daar zie ik een verband met het commitment waar Joost de Vries het over heeft. Jij spreekt over een poging tot verzoening. Dat is: verzoening van mensen met het eigen verleden of het verleden van de groep waartoe men behoort. Op zich is verzoening geen exclusief religieuze aangelegenheid, maar religiositeit heeft er in jouw boek wel mee te maken, zoals dat, veel nadrukkelijker, ook geldt voor schuld in Thuis van Marilynne Robinson. Het commitment is dat een religieuze dimensie in het boek onlosmakelijk verbonden is met ethische overwegingen.

 

Maar religie is geen ethiek; tenminste, niet alleen. Bij religie is er het besef van het hogere. Dat kun je mystiek duiden: het deel worden van een groter geheel waarin je persoonlijkheid wegvalt (of juist bevestigd wordt), maar het kan ook een verbondenheid zijn in de zin van een appèl; ik houd van dat woord. In het lokaal waarin ik nu niet meer lesgeef, hangt een uitspraak van Shimon Peres: ‘Wij zijn geschapen om doelen te dienen en dromen te dromen die groter zijn dan wijzelf; om die reden ben ik gelovig.’ Mooi hè. Het lijkt me dat literatuur bij uitstek een middel is om juist doelen en dromen tot leven te brengen, groter dan wijzelf zijn. Of omgekeerd: te laten zien hoe groot de kloof is tussen menselijk gestuntel en deze idealen. Volgens mij kan die kloof alleen maar overwonnen worden door ervaringen die ons bij de mystiek brengen, of bij zinsbegoocheling.

 

Volgend punt. Ik schreef ooit dit gedichtje en dat gebruik ik nu als bruggetje.

 

Op twee benen

 

Wij weten wel dat wij

niet meer dan kleine klootjes

op twee benen zijn.

 

Dus steken wij een kaarsje aan,

we zeggen spijt en staren

naar de kleine vlam.

 

Dan laten wij de kaars

bij het mariabeeld en hobbelen

naar buiten op twee benen.

 

Religie maakt gebruik van beelden, van symbolen en metaforen om iets van het onzegbare te kunnen zeggen. ‘Ik kan het niet goed zeggen, maar ik wou het toch graag zeggen,’ om op Gorter te variëren. Daarvoor gebruiken we die beelden, verrichten we handelingen die we vervolgens rituelen noemen.

Religie en literatuur kunnen elkaar bijten, er zijn mensen die dat vinden, juist omdat ze voor een groot deel van dezelfde middelen gebruik maken om een vergelijkbaar doel te dienen. Zowel literatuur als religie zijn een dienst van het woord dat om iets hogers cirkelt om het zo nauwkeurig mogelijk af te bakenen zonder ermee samen te vallen. Omdat dat niet kan of niet mag. Zowel religie als literatuur willen grensverleggend zijn of ten minste grenzen verkennen. Die paradoxale drang om het omineuze zoveel mogelijk in kaart te brengen of op te roepen maakt voor mij de notie christelijke literatuur juist bijzonder boeiend.

Symbolen staan doorgaans voor het onzegbare, zoals hierboven het kaarsje en het beeld. Het zijn beelden die in al hun vertrouwdheid al eeuwen meegaan en zeer geladen kunnen zijn. Kunst en religie maken er niet voor niets veel gebruik van. Dat het daarom ook heel makkelijk kan worden, spreekt voor zich. Dat is de doodssteek voor bijvoorbeeld een gedicht. Veel slechte christelijke poëzie is doordrenkt van de clichés die kleven aan religieus en vooral kerkelijk beeld- en taalgebruik.

Dat kan, maar ik zou desondanks, juist vanwege die verwantschap (en dat verschilt niet wezenlijk van het paradoxale bijten) bijna gaan denken dat iemand die in literatuur gelooft, niet a-religieus kan zijn!

 

Je komt in je brief van 21 september nog even terug op het oprechte veinzen van Kellendonk en reikt me vriendelijk als alternatief Coleridges suspense of disbelief aan: willen geloven, ongeloof opheffen, verbeelding toelaten. Los van het feit dat dit een wat technische term is geworden die staat voor ‘suggereren’, vind ik het begrip te karig. Ik wil dat een werk mij niet iets wíl laten geloven, nee, het moet geloven zíjn.

Ik combineer het committeren van Joost de Vries met de godachtigheid van onze vorige brieven. Een gecommitteerde schrijver ís wat hij schrijft op dat moment, met een behendig en verstandig hoofd en een betrokken hart en met bezieling in zijn of haar donder. Maar als de schrijver de hond uitlaat, of iets dergelijks, hoeft er van dat godachtige van hem of haar niets meer over te zijn en als zij of hij dood is, is dat zeker niet meer het geval. In het werk, in het gedicht, het lied, het verhaal, moet dat godachtige wél terug te vinden zijn.

Stevo, ik wens je toe dat jij je godachtig gedraagt in je schrijfhut, maar voor mezelf hoop ik op een godachtig boek van Stevo Akkerman.

 

Ziezo. Wat jij niet ziet, is dat hieronder nog heel veel wat aantekeningen staan. Die zal ik na mijn groet verwijderen. Genoeg is genoeg, voor dit moment.

Wel kom ik nog even terug op de eland, namelijk om je te vertellen dat ik er in deze brief niet verder op inga. De reden? Ik wil over dit bijzondere dier en zijn afwezige aanwezigheid wat meer schrijven en jij voelt heel goed aan in welke richting dat gaat. Ik hoop dat het lukt en als het er inderdaad van komt, dan zet ik erboven: Voor Stevo Akkerman.

 

Veel schrijfgenoegen en een grote groet,

 

Len

Brief 5 van Stevo Akkerman 

Badhoevedorp, 15 oktober 2015

 

Beste Len,

 

Je citeert een gedichtje van jezelf (Eerste strofe: ‘Wij weten wel dat wij/niet meer dan kleine klootjes/op twee benen zijn’) dat in zijn eenvoud het hele bestaan lijkt te grijpen – mooi is dat.

Het deed mij denken aan ‘Mens’ van Leo Vroman, je zult het vast niet erg vinden met hem vergeleken te worden:

 

 God behoede de mens

 en geve hem een zoen:

 er is verder niets met hem te doen.

 

Zowel bij Borgdorff als bij Vroman wordt de ontoereikendheid van de mens op milde wijze verwoord, alsof het hier een vooral koddig wezen betreft, maar kijk uit, helemaal onschuldig is dit wezen niet. Borgdorff:

 

 Dus steken wij een kaarsje aan,

 we zeggen spijt en staren

 naar de kleine vlam.

 

Het is, bij beide dichters, de handreiking van gene zijde die de mens overeind houdt, al blijft het behelpen – we ‘hobbelen naar buiten’, zegt Borgdorff, terwijl we natuurlijk hadden willen schrijden, of liever nog hoog te paard zitten, met opgeheven hoofd en zo.

 

Aan Donderdagmiddagdochter gaat een gedicht van Joke van Leeuwen vooraf, over ‘de nieuwe ontferming’. Ze zouden die brengen op vrijdag, je weet wel, die lui van ontferming.nl, maar mooi dat ze niet kwamen: ‘is nog niet binnen’. Ik heb de afgelopen weken geprobeerd wat ontferming tevoorschijn te toveren in de laatste hoofdstukken van een nieuwe roman – je vroeg je af waar ik mee bezig was, in die schrijfhut van mij, en dat was dus dit. Ik ben er, boven verwachting, in geslaagd dat boek af te ronden, maar als ik deze zin tik breekt het angstzweet me uit. Hoezo geslaagd? Ik heb, zo kort na het zetten van de laatste punt, geen flauw idee of ik iets fatsoenlijks heb gebrouwen. Zelf kan ik dat in dit stadium volstrekt niet beoordelen en degene die dat wel kan, bevindt zich op de Frankfurter Buchmesse, en zo zweeft de tekst in het akelige vagevuur tussen verzenden en ontvangen, wachtend op een oordeel.

 Hoe dan ook, de personages in mijn nieuwe boek kunnen wel wat ontferming gebruiken. Het leven maakt het hen niet gemakkelijk, en ze maken het zichzelf en hun naasten graag zo moeilijk mogelijk. Dit gegeven noodzaakte mij ‘het omineuze zoveel mogelijk in kaart te brengen of op te roepen’, precies zoals jij de literaire drang omschrijft in je laatste brief.

Wil de ontferming – die natuurlijk niet de vorm kan hebben van een happy end bij ondergaande zon en trompetgeschal – enige betekenis hebben, dan moet er wel wat aan de hand zijn. Onheil. En dat is er in dit boek. Mensen kunnen zo gehinderd worden door hun afkomst en karakter dat ze uitgerekend diegenen van zich vervreemden die ze het meeste liefhebben en door wie ze het meeste zijn liefgehad.

 Mocht ik dit overtuigend hebben beschreven, en dat weet ik op dit moment dus echt niet, is de tekst dan ‘godachtig’, zoals jij zou willen? Ik heb nog eens nagelezen wat je daar onder verstaat. “Een schepping met eigen pretenties en potenties.” Aan dat criterium zou het kunnen voldoen. Maar als het een schepping is, dan is het dus niet de schepper en niet godachtig – daar blijf ik tegenaan hikken. Al zal ik niet ontkennen dat een tekst een eigen scheppende werking kan hebben: door wat het teweegbrengt bij de lezer. Maar ik blijf me meer thuisvoelen bij het alternatief dat je zelf aandroeg: waar-achtig in plaats van god-achtig.

Stapje verder. Is de tekst die ik heb geschreven christelijk? Dat denk ik niet. Er komt zo goed als geen geloof aan te pas, en als een christelijke notie als ontferming zich laat gelden, dan is het impliciet, en zonder enige verwijzing naar ‘het hogere’, dat boven de ethiek zou uitstijgen. Maar is het een tekst voor kleine klootjes op twee benen? Dat hoop ik zeker en dat is mij christelijk genoeg.

 

Hartelijke groet,

 

Stevo

 

Brief 6 van Len Borgdorff 

Utrecht, 6 november 2015

 

 

Beste Stevo,

 

Dit wordt mijn laatste brief aan jou. In elk geval voorlopig.

Intussen ben ik nieuwsgierig geworden naar je boek met de mensen die wel wat ontferming nodig hebben. Toen je dat schreef, vroeg ik me even af of wij ons niet een God wensen opdat er naar ons omgekeken wordt. En deze week las ik een verhaal waarin mensen niets anders doen dan zich verweren tegen een jaloerse god die het geluk van mensen tracht te vernietigen. Het andere uiterste. Zo denken wij ons misschien wel een god naar believen.

 

Vandaag lees ik in de krant dat René Girard is overleden. Deze filosoof en literatuurwetenschapper maakte ruim dertig jaar geleden furore met de romaneske waarheid van de mimetische begeerte. Ofwel: jaloezie drijft ons voort. Degene die ik bewonder is ook mijn rivaal. Om de boel niet uit de hand te laten lopen, kiest een gemeenschap voor een zondebok. Een gewelddadig mechanisme dat in het christendom doorbroken wordt door de schuldeloze zondebok, volgens Girard dan, die katholiek werd toen hij tot dat inzicht kwam.

Ik was indertijd zeer gefascineerd door Girard, want hij creëerde niet alleen een sluitend systeem, het leek nog te kloppen ook. Onlangs las ik Vallende Ster van Désanne van Brederode en daarna De onderwaterzwemmer van Thomése. Je kunt er zo het systeem van Girard overheen leggen. Nu geloof ik niet in systemen en juist daarom fascineert het mij als iemand heel ver lijkt te komen met een sluitend systeem.

 

Ik vertel dit om twee redenen. A: we kunnen proberen om onze opvattingen over literatuur en de rol van geloof of religie daarbij goed te formuleren en in een dialoog proberen te ontdekken of we in de buurt van een waarheid kunnen komen, maar dat kan helemaal niet. B: we moeten het vooral proberen. De schrijver moet een systeem bouwen, die lezer moet zich de woestenij van woorden, personages en gebeurtenissen eigen maken.

 

In onze briefwisseling ben jij vooral de schrijver, niet eens de journalist, maar vooral de literator. Ik probeerde de geïnteresseerde lezer te zijn, maar schoof steeds meer in de richting van de dichter die zijn eigen even stille als onmogelijke wens heeft. Excuses daarvoor, ik had de lezer willen blijven. Maar één ding is duidelijk: wij zijn geen wetenschappers.

 

Johan Goud is dat wel. Onlangs, bij het afscheid van Martien Brinkman aan de Vrije Universiteit, vertelde hij heel kort in vier punten hoe theologie en literatuur zich met elkaar verbinden. Allereerst kan literatuur een didactisch, illustratieve functie hebben. Dus: het verhaal of gedicht in dienst van een geloofsovertuiging. Het zal duidelijk zijn dat wij beiden in dat geval eerder geneigd zijn om helemaal niet meer van literatuur te spreken.

 

Een stap verder, ik volg de stappen van Goud: literatuur herinnert theologie aan haar eigenlijke opdracht. Literatuur zoekt naar essentie, haalt de essentie naar boven. Je ziet het: het wordt prompt een stuk vager, maar opnieuw, denk ik, worden jij en ik hier niet blij van. Dit reduceert literatuur nog steeds tot een hulpmiddel, al is het wel een middel waar de theologie niet zonder lijkt te kunnen. Maar zelfs de schijn van dienstbaarheid is me al te veel.

 

Bij stap drie wordt literatuur een bron van openbaring. Waar het gaat om vormgeving, waarde en richting-geving kan literatuur een bron zijn naast de Bijbel. Je kunt ook zeggen dat de Bijbel een belangrijk literair werk is. Hier word ik al wat minder narrig.

Dan is er een vierde stap, een postmodernistische. Daarbij wordt gesteld dat mensen zich bewegen in taal en dat bij taal verbeelding altijd een rol speelt. Mensen hebben verbeelding waarschijnlijk nodig omdat zij leven en beleven niet kunnen laten samenvallen met de werkelijkheid. Zo heb ik het althans begrepen.

Nu houd ik niet van de term postmodern. Het klinkt me te democratisch. Alles kan en mag en alles is goed. Maar in de uitwerking ervan kan ik me wel vinden. Jij misschien ook wel. De werkelijkheid die er toe doet is een gewaarwording, een ervaring en daarmee subjectief.

 

In Goud spreekt een theoloog met uitzonderlijk veel affiniteit met literatuur. Ik draai het nu even om. Literatuur is een reactie op en verwerking van de werkelijkheid. Religie en geloof bieden vormen en waarden die een essentiële rol kunnen spelen in de literatuur door de vragen die ze oproepen, door een mechanisme dat zich laat herkennen.

De romanticus die ik ben, droomt ervan dat ooit tussen taal en werkelijkheid een isgelijkteken komt te staan. Dichters slaven zich al eeuwen af om dat te bereiken, maar in de twintigste eeuw is vooral duidelijk geworden dat het niet lijkt te kunnen. Ik zou literatuur dan ook liever een optimalisering van de werkelijkheid willen noemen. Let op: ik zeg niet dat ze dat is, maar zeg dat ik wil dat ze dat zou zijn. Noem het een illusie, maar dan is het wel een illusie die ik door literatuur bevestigd wil zien worden.

Jij blijft aanhikken tegen mijn term ‘godachtig’. Dat komt doordat je een reëlere vent bent dan ik. Als literatuur waarachtigheid weet op te roepen, dan is er immers al heel wat bereikt, maar ik wil bij een boek het gevoel hebben dat daarin een werkelijkheid (maar met aspecten daarvan ben ik ook dik tevreden) wordt opgeroepen die de werkelijkheid daarbuiten lijkt te veranderen. Een boek moet mij de schellen van de ogen doen vallen, tot diepere inzichten leiden. Dat is meer dan waarachtig, het is de correctie van wat ik tot nu toe als werkelijkheid heb ervaren. Als schrijver creëer je. Daarom vind je de door mij gehanteerde term, als het dan toch moet, beter passen bij de schrijver dan bij diens product. Maar als lezer recreëer ik, of nog anders: een roman of gedicht recreëert voor wat de intussen al lang uit beeld verdwenen auteur heeft geschreven. Maar veel meer dan een woordenspel is dit al met al niet.

Ik hoef er niet veel moeite voor te doen om de vorige alinea zo te herschrijven dat die niet meer over literatuur gaat, maar over geloof en religie. Ik zal dat nu niet doen, maar het maakt me wel duidelijk dat beide bij uitstek middelen zijn om waarheid en werkelijkheid te zien. Zoals die is, zoals die niet is, zoals die zo moeten zijn. Zoiets.

Even terug naar de vorm. Ook jij hebt je reserves jegens vaste vormen. Je zoekt liever grenzen om te weten wat essentieel is, wat er echt is, waar het schuurt. Daar komen levensbeschouwing en literatuur elkaar tegen. Tegelijkertijd, en dat is heel veel, bieden vormen, liturgische dan wel literaire vormen, houvast. Het zijn beelden om sneller naar een essentie te komen, misschien alleen als je die met een ander kunt delen. Paradoxaal genoeg is een literair werk ook een format waarin essentialia van de werkelijkheid vervat zijn. Als lezer wil ik daardoor gefascineerd raken, door de waarheid die in, zeg maar, 183 bladzijden en elf hoofdstukken is vormgegeven.

Ik stop. Ik vat niets meer samen, nee, ik stop. Ik dank Nijntje die Neintje werd, ik dank de eland waarin ik niet geloofde en die mijn pad kruiste, ik dank jouw Italiaanse horizon. Allemaal beelden, van zichzelf en misschien soms ook nog van iets meer. Niet het weten, niet mogelijke antwoorden, denk ik, maar beelden die iets oproepen waardoor je denkt: ja, dit is het. Voor een tijdje.

Ik dank je hartelijk voor je brieven.

Grote groet,

Len

 

PS op de envelop: Goed interview met Verhulst. Mente en ik lezen samen regelmatig uit de Bijbel. In de eerste vijf bijbelboeken wordt regelmatig een beeld god neergezet dat mij met weerzien vervult. ‘Sla dat stukje god maar over,’ zegt Mente soms. En ik: ‘Doe die god maar niet;  graag een andere.’ Maar die verhalen nodigen wel uit tot gesprek, desnoods verzet.  O, de envelop is vol.

Nogmaals dank.

 

Len

Brief 6 van Stevo Akkerman

 

Badhoevedorp, 16 november 2015

Beste Len,

Dit is mijn laatste brief aan jou, in elk geval in deze openbare literair-therapeutische sessies. Ik ben vastbesloten me er met een Jantje van Leiden vanaf te maken.

 

De afgelopen twee weken heb ik veel tijd doorgebracht in hotel Ambassade in Amsterdam. De verzamelde uitgeverijen laten daar sinds jaar en dag hun buitenlandse auteurs logeren en interviews ondergaan – je kunt er eigenlijk elke dag wel even langsfietsen om te kijken of er niet een schrijver klaar zit om ondervraagd te worden. Ik sprak er achtereenvolgens Dimitri Verhulst, Amos Oz en Marilynne Robinson en nu tolt mijn hoofd van de begrippen geloof en religie, zodanig dat ik vrees er geen zinnig woord meer aan toe te kunnen voegen. Wat niet wil zeggen dat ik niet genoten heb van onze briefwisseling, juist als het gaat om dit thema. Je zette me er toe aan oude meesters weer op te slaan (Achterberg, Nijhof, Vroman – jij noemde ook Vondel, maar dat is voor mij de Oudheid) en je verblijdde me met een gedicht over ‘kleine klootjes op twee benen’.

 

Met Verhulst sprak ik over de gruwelen van de eerste vijf bijbelboeken, die hij in zijn Bloedboek nog wat gruwelijker maakt dan het origineel, in een boertige en barokke Tale Kanaäns die aan mij niet besteed is, temeer omdat Verhulst nazi-terminologie aanwendt om het oudtestamentische Jodendom te typeren: een Herrenvolk, dat zich te buiten gaat aan Endlösung. De bijbel als Mein Kampf. Ik vroeg Oz om een reactie op deze typering en kreeg een laconiek antwoord: het leek de grote Israëlische auteur geen goed idee met het wereldbeeld van vandaag naar de religieuze literatuur van drieduizend jaar geleden te kijken. En verder was hij zelf ook niet dol op het geweld dat God in die dagen verordonneerde. Jezus was hem liever, zei Oz, al vond hij hem wat naïef.

 

En Robinson? Die heb ik proberen louter te laten praten over het pikante onderwerp ‘familie’, met citaten uit GileadHome en Lila als leidraad. Merkwaardig, maar ook via die omweg kwamen we uit bij de Vader en het leed van zijn kinderen. John Ames schrijft in Lila een brief om iets te zeggen wat hem mondeling niet lukt: 'Mijn geloof zegt me dat God armoede, lijden en dood met de mens gedeeld heeft, en dat dat alleen kan betekenen dat dergelijke zaken grote waardigheid en betekenis bezitten, zelfs al doet het een zwaar beroep op de kracht van iemands geloof om dat aan te nemen (…).' Zeg dat wel.

 

Ik legde Robinson het geval voor van het kind uit Donderdagmiddagdochter, Evy Elise, die sterft, vijf kwartier nadat ze ter wereld is gekomen. Waardigheid? Ja. Maar betekenis? Ik zie het niet. En Robinson kon het zo gauw ook niet formuleren, bovendien was het interview zo ongeveer ten einde, de mevrouw van de uitgeverij was al komen waarschuwen dat we moesten afronden. 'Dit is een te grote vraag voor deze gelegenheid,' zei Robinson verontschuldigend.

Zul je altijd zien: ligt het wereldraadsel eindelijk op tafel, is de tijd op.

 

In de boeken van Robinson lopen literatuur en theologie schijnbaar moeiteloos in elkaar over – of dat ook geldt voor haar poëtica weet ik niet, maar in haar geschiedenis van de families Ames en Boughton zit doodgemoedereerd een kleine dogmatiek verborgen.

 

Wat vind ik er zelf van? Ik kan me, zoals je al vermoedt, goed vinden in de vaststelling van Johan Goud dat ‘mensen zich bewegen in taal en dat bij taal verbeelding altijd een rol speelt’. En de verbeelding is (vrij naar Kloos) ‘het allerindividueelste instrument van de allerindividueelste emotie’: onmisbaar om chocolade te maken van de werkelijkheid, maar nooit, nimmer, never samenvallend met die werkelijkheid. Literatuur handelt – net als religie – niet in werkelijkheden, maar in betekenissen. Ze kunnen beide, als ze goed hun best doen, zichtbaar maken wat de werkelijkheid voor mensen in kan houden. Waarbij ‘betekenis’ niet hetzelfde is als ‘zin’ – dat is bij de vertaling van Lila een dilemma: welke van die twee bedoelt John Ames als hij spreekt van ‘meaning’? Zin gaat, naar mijn gevoel, nog een stapje verder dan betekenis.

 

In Trouw schreef Jan Oegema een mooi essay over de poëzie van Gert Peelen (1947-2015). Daarin de volgende passage: ‘Religie is in de eerste plaats taal geworden, geen vindplaats van waarheid maar van betekenis, een schatplaats van verhalen die niet alleen sterke ervaringen van zin maar ook van stuitend gebrek aan zin etaleren.’

 

Voeg die verhalen bij elkaar, en je hebt een heilig boek. Zoals Les Murray zegt: ‘Ik zie een gedicht als een kleine, snelle religie; en omgekeerd een religie als een groot en traag gedicht.’

Schrijf door, Len. Zo werk je mee aan de schepping van de wereld.

 

Groet,

 

Stevo

Submit to FacebookSubmit to Twitter