Ruben Hofma over Als niemand vangt, 26 juni 2014

 

Het omslagbeeld van Krijn Peter Hesselinks vierde dichtbundel doet door de titel een beetje luguber aan. De foto is genomen van grote hoogte en het enige wat je ziet is de grijze herhaling van stoeptegels en twee tuinstoelen waarvan er één bezet is. Het lijkt alsof de persoon die daar zit ergens op wacht: benen over elkaar, handen in elkaar gevouwen, een vooruitziende blik op iets buiten beeld.

 

 

Maar het perspectief van de foto komt van iemand die de hoogte in vliegt om wereldvreemd of erger te worden. Dat suggereert een van de aangrijpende gedichten uit de bundel, ‘De lokroep van het vacuüm’.

 

De lokroep van het vacuüm

Lees gedicht

De lokroep van het vacuüm

 

Mijn moeder weet waarvoor ze bang moet zijn
en waarvoor niet, als ik uit het raam hang

 

dan hoeft ze geen matrassen aan te slepen
ik val, als ik al val, steevast omhoog

 

zelfs ezels laten zich geen twee keer van
de stoep afschrapen, één keer is genoeg

 

om ons de lust voorgoed te doen vergaan
dan laat ik wel zo lief de wind wat door

 

mijn haren jakkeren in een val die pas

in het oneindige gestuit zal worden

 

steeds weidser wordt mijn overzicht tot elk
detail verloren gaat in klare lijnen

 

van wegen die de menselijke bouwdrift
- ja ik ben hier geweest! en hier! en hier! -

 

in een fijnmazig raster weten te vangen
al snel ontwaar ik de contouren van

 

de dampkring die ons ijdele vertoon
verveeld omspant als laatste buffer tegen

 

de lokroep van het vacuüm, het wordt
steeds lichter in mijn hoofd, gelukkig kiest

 

mijn moeder dit moment om weer eens aan
mijn hoofd te zeuren over het raamkozijn

 

dat wel een likje verf gebruiken kan

 

Krijn Peter Hesselink

 

Terwijl je dit gedicht leest, ga je mee de hoogte in. Ik merk dat ik steeds luider de regels oplees naarmate ik in het gedicht vorder en dat kan alleen maar komen door de regelafbraak en het slimme besluit van Hesselink om dit gedicht in tweeregelige strofen op te delen en af te sluiten met een heel aardse alleenstaande zin. Ik vraag me graag af wat er gebeurt als die reddende engel van een moeder niet gezeurd zou hebben. Hoe ver van de aarde af zou een mens zich ooit kunnen bevinden en wat zou je daar vandaan kunnen zien? Het lijkt me onmogelijk terugvliegen vanaf daar (wat me doet denken aan het enkeltje naar Mars in 2024 voor een kleine groep mensen). ‘De lokroep van het vacuüm’ vind ik één van de mooiste gedichten uit ‘Als niemand vangt’. Het heeft een lekker tempo en blijft tot na het slot interessant.

 

De bundel komt dromerig over. Hier en daar dacht ik aan de gedichten van de Vlaamse Miriam Van hee, van wie de bundel Ook daar valt het licht kans maakte op de VSB Poëzieprijs 2014. Net als haar poëzie zijn Hesselinks gedichten vaak opgedeeld in twee- of drieregelige strofen, staan er geen punten in, wel regelmatig komma’s, en zijn de titels meestal kort en een samenvatting van de gedichten. Ook zijn de gedichten veelal beschrijvend en raadselachtig. Wat verschilt is de thematiek. Bij Hesselink gaat het redelijk direct om geliefden en het voortrazende verloop van het eigen leven waarin de ik-figuur zichzelf steeds moet hervinden. 

 

Een paar keer tijdens het lezen van de eerste afdeling in de bundel, ‘De regels van het spel’, moest ik denken aan Alice in Wonderland en de film Pan’s Labyrinth, waarin door middel van fantasievertellingen een kind alleen het avontuur van een gekke, zelfs enge wereld aangaat. In de wereld die Hesselink schetst in het eerste deel, zijn geen bizarre wezens aanwezig en wordt wel volop familie betrokken, maar het kind staat er alleen voor in zijn eigen wereld en de situaties zijn soms huiveringwekkend en op zijn minst opmerkelijk. In ‘Quod erat demonstrandum’ bijvoorbeeld, dat opent met de mooie strofe ‘Nooit worden waterplassen weer zo groot / als toen mijn vader in de achtertuin / uitlegde waar al die regen toch vandaan kwam’, ziet de jonge verteller zijn vader verdrinken in de natte aarde en in ‘Toevallige ontmoeting’ staat zijn zus bovenaan een ladder die aan de wandel gaat wanneer de verteller haar juist wil vragen naar hoe de lucht daar is. Dat lijken me verschrikkelijke wendingen voor een kind.

 

Fantasie en open eindes zijn op veel plekken in de bundel present. Ik citeer het gedicht ‘Markeringen’ uit de ontroerende en langste afdeling ‘Verkenningen’ waarin het relaas is te vinden van een  liefdesrelatie, vanuit het perspectief van de ik-figuur.

 

Markeringen

Lees gedicht

Markeringen

 

De vijver rimpelloos, behalve waar
de fuut zijn stille aftocht naar de bodem
kring na kring, nog heel even, markeerde

 

het water hoefde nergens heen en jij
betreurde hooguit dat de straatlantaarns
de nacht aan ons ontroofden, was de fuut

 

die uit het duister opdook wel dezelfde
als die we net zagen verdwijnen, viel
de hand die naar de mijne greep

 

wel samen met de hand waarmee je eerder
je haar voor je gezicht had weggeveegd
mijn hoofd had weggeduwd en een voor een

 

grassprietjes uit de grond had losgetrokken

groene confetti, gretig rondgestrooid,
die in het schemerdonker drijven bleef

 

Krijn Peter Hesselink

 

Hesselink houdt ervan om te cirkelen om wat er precies gebeurt en hij doet dat op een prettige manier. Het beeld, bijvoorbeeld, van de in het donker duikende fuut die later opnieuw verschijnt, in combinatie met de vragen of die fuut maar vooral die hand wel dezelfden zijn, is sterk en dwingend. Het is bovendien een prachtig geschetst visioen van mindere tijden. Een andere fuut duikt op. De gedichten van Hesselink zijn niet vernieuwend en niet kernachtig (er wordt flink gesmeten met spreektaal), maar Hesselink heeft de kunst goed onder de knie om met behulp van krachtige, originele observaties die je bezig houden emotionele, persoonsgebonden gedichten te schrijven.

 

In de laatste afdeling, ‘Hoor ik daar mijn naam?’, lijkt het leven na de relatie geschetst te worden, versterkt met het mooie, onmogelijke beeld ‘heel mijn leven is een uitgesmeerde pieptoon’. In het slotgedicht ‘Verlate kennismaking’ besluit de dichter met het idee van een ontmoeting met zichzelf: ‘daarna wijst het zichzelf wel, ik of ik / zal als eerste bij de deur weten te komen / om de ander voor te kunnen laten / “na u, ik sta erop,” zo zal ik zeggen / en kijk, daar ga ik’. Na alle turbulentie in de bundel is dit een opluchtend begin.

 

Krijn Peter Hesselink, Als niemand vangt. Uitgeverij Podium, Amsterdam 2014, 56 blz., € 16,50.

Submit to FacebookSubmit to Twitter