Menno van der Beek over Het huis woont in mij,

3 juni 2013

 

Het decembernummer van de papieren Liter  had drie gedichten van Swanborn, voor zover ik weet toen nog voorgesorteerd voor de hier besproken bundel, maar twee daarvan zijn afgevallen, alleen Bij het schillen van een peer heeft het gered tot de bundel. Zoals de 'Verantwoording' zegt,  'een aantal gedichten verscheen in een eerdere versie in [..]', (volgt een rij tijdschriften).  Swanborn is tot laat in de selectie blijven schuiven en knippen. Geen dichter van alleen de geniale invallen in de kroeg, dus, schat ik zo, genoteerd op een viltje, in een slordige envelop naar de uitgever gestuurd, die er dan een bundel van brouwt. Hier is serieus aan gewerkt. Een reisbeurs aangevraagd, in Annaghhmakerrig in Ierland gaan zitten, op kosten van het ministerie en de gemeente Rotterdam, begrijp ik, alweer uit de verantwoording, en daarna nog de puntjes op de i gezet in Bergen in het A. Roland Holst huis, in alle rust. Enige jaloezie onder andere Rotterdamse dichters, die hun verzen bij een kaal peertje thuis aan een gammele tafel in de kleine uurtjes na een dag geestdodend zwoegen voor het militair-industrieel complex moeten concipiëren en verfijnen is niet uit te sluiten.

 

 

Maar: het was geen weggegooid geld. Het werk aan de teksten is goed te merken. Het is vreemde onnadrukkelijke, en toch gelijk dwingende poëzie. Ik kreeg lezende de bundel het idee, dat waar sommigen hun leven lang niet van de dwang van het sonnet af komen, hier misschien iets omgekeerds aan de gang is geweest: de overgave aan de klassieke vorm werd met zorg vermeden. De vaste vorm, het rijmschema, ik denk dat deze dichter er moeiteloos mee weg zou komen, zonder geforceerd of gezocht te gaan klinken. De woorden zijn duidelijk op hun plaats gedwongen, al wordt er nergens met de metronoom gewerkt en is rijm zeldzaam en van de heel voorzichtige soort. En hij heeft ook een voorkeur voor drie en vier-regelige strofen, wat de gedichten ondanks de vormvrijheid een rustig en natuurlijk uiterlijk geeft. Rijmloze sonnetfragmenten, een nieuwe vorm, door Swanborn meesterlijk benut. Een voorbeeld, ter illustratie:

 

 

NOOIT ALLEEN

  

Meermaals heb ik hem afgedankt, op straat gezet,

tekens keert hij terug. In een verre hoek van de zolder

neemt hij plaats, rokend, de benen over elkaar geslagen.

 

Beslist wijs ik hem de deur, ook deze keer. Hij lacht, pakt

hoed en jas, verdwijnt in het gat. Ik draai de sleutels, schuif

grendels. In het duister van de zolder gloeit een sigaret.

 

 

Nostalgische taal, heftige, impressionistisch geschetste emoties, intensief beleefd, en met in aanleg eenvoudige taal, arm aan metaforen, maar dwingend verteld. Het ritmische praten, en de listige regelafbrekingen  versterken haast de indruk nog alsof we naar een klassiek sonnet zitten te luisteren. Maar de vorm van Swanborn is hier precies goed. Nog een sterk gedicht:

 

 

OP DE TRAPPEN VAN DE BEURS

 

Eens per minuut controleert hij of alles nog in orde is 

potlood scherp gepunt, papier in de binnenzak. Mensen

houdt hij in de gaten, voor je het weet, wordt je opgemerkt.

 

Dan pakt hij zijn boekje, maakt aantekeningen over kleding,

lichtval, oogopslag, als iemand hem roept. De punt breekt af,.

Nu rustig blijven. Hij weet, geen van de antwoorden is goed.

 

 

Echte verhalen worden het niet, deze gedichten. De kunst van het weglaten van wat er gebeurt met de voerder van stem van het gedicht wordt geraffineerd en behendig beoefend, en het is de dwingende taal alleen, die de verzen overeind houdt. Maar het is meer dan genoeg, want intrigerende gedichten zijn het.

Lezen we in de laatste regel van bovenstaand gedicht een subtiel binnengesmokkeld postmodern credo? De zin past prachtig bij de zeven voorgaande, dat is me na lezing duidelijk. En is de spreker in dit gedicht een eenzame, gediagnosticeerd met het syndroom van Asperger, bijvoorbeeld, en gaat hij hierna treinstelnummers noteren? Het is mogelijk. Vermoedelijk zijn alle antwoorden even goed. En bedoel ik daarmee, dat ze gelijkwaardig zijn, of dat ze een beperkte houdbaarheidsduur hebben? In de geest van het besprokene wilde ik dat in het midden laten.

 

Drie afdelingen heeft de bundel, Het huis woont in mij, met herinneringen aan een vervallen gebouw, Nooit alleen, met eigenaardige en schimmige ontmoetingen, en Geen mens te zien, met deskundige observaties. Losjes verdeeld over de afdelingen de verzen, maar allen met de genoemde tegelijk sobere en dwingende taal naar het einde gevoerd. Komrij schreef ooit ergens dat wat een gedicht ook allemaal nog meer is, het is ook en vooral een dingetje van taal, dat na lezing in het hoofd van de lezer haar werk moet doen. En dat lukt de verzen van Swanborn in deze bundel iedere keer.

 

 

PETER SWANBORN, HET HUIS WOONT IN MIJ, GEDICHTEN, UITGEVERIJ PODIUM, 2013

 

Submit to FacebookSubmit to Twitter