door Len Borgdorff, 6 februari 2018

 

Mente staat klem tussen de garderobekasten en de strijkplank waaraan ze staat te strijken. ‘Weet je wat het is met vroeger, het is voorbij,’ zegt ze. ‘Dat is de mooiste zin uit Lampje.’ Het is zaterdagochtend. We hebben lang geslapen. Dat heeft ons goed gedaan, maar we blijven moe. Ik sta op de overloop en houd weer eens heel veel van haar.

 

‘Maar ik zou wel willen dat het anders was, al was het maar voor even.’ We hebben een zoon van bijna twee meter, eentje die er genoegen in schept even honderd kilometer te fietsen en die jaarlijks met vrienden de Mont Ventoux een paar keer op fietst, in oktober nog. Drie weken geleden reden we overdag achter een rouwauto aan en even later liep Mente met mij achter de doodskist van haar moeder. Ik keek vooral naar die knul van bijna twee meter die al had aangegeven niet mee te doen met het dragen van de kist. Hij liep zo te zwabberen.

Direct na de begrafenis bracht ik hem naar de dokter en daarna naar het ziekenhuis en toen het al nacht was reed ik achter een ziekenwagen aan naar een ander ziekenhuis, nu samen met zijn vriendin. Toen kon hij al niet meer lopen. Guillain-Barré Syndroom. Intussen, een paar ziekenhuizen en weken later, zit hij in een revalidatiecentrum.

Mente zou het liefst alle bloemen van de wereld om zijn bed zetten, zegt ze. Pyjama’s voor hem kopen, voor elke dag een andere kleur, een handig espressoapparaat voor naast zijn bed, een auto met een ligbed desnoods.

‘Als ik het verhaal vertel, dat het begon op de dag van de begrafenis van mamma, en hoe het verder ging, dan heeft iedereen het over hem,' zegt ze. ‘Niemand denkt ook maar een moment aan mijn moeder. Ik ook niet, als ik niet oppas.’ Ze staat te huilen, maar er valt geen traan op het strijkgoed.

‘Ik zou zo graag willen dat hij nog even klein was en dat ik hem dan op schoot zou kunnen nemen. Maar weet je wat het is met vroeger: het is voorbij.’

Beneden hebben we het opnieuw over Lampje van Annet Schaap. Mente heeft het over de mysterieuze Nick die een soort engel is. Ik zie in gedachten hoe Vis, de jongen uit het boek, in zijn karretje meer en meer op mijn zoon begint te lijken.

Dan een appje: of we even met hem in de rolstoel naar het park willen. Ik denk aan die keer dat we gingen wandelen in het park langs de singel. Met zijn drieën, zijn oudere broertje was er niet bij. Hij was nog kaal en in zijn karretje zat hij te stralen met die ogen die net zou lichtblauw waren als zijn jasje. Hij was één geworden en een paar maanden later zou hij zijn eerste stapjes zetten.

Misschien komt het, iets anders, wèl terug, denk ik.

Als we naar onze fietsen lopen, komt er een tweede appje: ‘Doe toch maar niet. Te moe.’

Dan gaan we maar boodschappen doen.

Annet Schaap, Lampje. Em. Querido’s Kinderboekenuitgeverij, Amsterdam 20176.

Submit to FacebookSubmit to Twitter