door Len Borgdorff, 30 januari 2018

 

Er worden prijzen uitgereikt. De zaal is vol. Ik had hier niet moeten zijn. Zoveel zwijgend lijf om me heen. Er wordt op een veel te leeg podium voor een veel te volle zaal wat gedarteld. Ik ben niet geschikt voor zoveel mensen. Gelukkig zijn ze stil, nu nog wel. Als Marije Langelaar haar gedichten leest kom ik tot rust, al weet ik dat straks het even onvermijdelijke als akelige en droomverscheurende applaus door de ruimte zal ratelen. En nog strakser is er de afterparty. Ik had hier niet moeten zijn.

 

 

Langelaar leest van de stoel die ze had willen zijn; ik schreef er onlangs iets over. En ze leest ‘Vonk’:

 

… ik had vooral gezwegen

maar de presentator benadrukte dat men daar

nood aan heeft vandaag de dag.

Dus zat ik daar weer achter een microfoon

en zweeg.

 

Lees gedicht

 

Vonk

 

En ze vroegen me terug voor dat radioprogramma
ik weet nog steeds niet waarom
want ik had vooral gezwegen
maar de presentator benadrukte dat men daar
nood aan heeft vandaag de dag.
Dus zat ik daar weer achter een microfoon
en zweeg
en ontkrachtte vervolgens alle fenomenen, ideeën,
gestalten, dingen en wezens. En mijzelf natuurlijk
en de presenator die zenuwachtig aan zijn snor ging
wrijven. Dat ging me goed af. Ik had mijn talent ontdekt.
En vanuit het niets vertelde ik over het vonkje, klein
en zoemend waardoor ik voorzichtig weer in de
wereld, getallen, fenomenen, planeten, materialen
en mensen ging geloven. Er zit een vonk in u.
Jazeker vonk in u. Want die vonk is in mij, ik weet
verder niets mijn denkkracht is nihil, geen zicht,
geen gehoor, ik zwem in het niets maar ik weet
er is een vonk in deze tafel, deze lamp en in u beste
luisteraar.
Ik was dusdanig op dreef dat mijn woorden vlam vatten.
Er zit een vonk in u beste presentator! Ik
smeet het over de tafel.
Hij werd zo bleek en ongemakkelijk dat ik mijn
woordvoering staakte.
Vlammend en trillend begaf ik mij naar huis, ging
vlammend en trillend in mijn bed liggen. Viel in een
vlammende en trillende slaap werd vlammend en
trillend weer wakker.

 

En schreef meteen bij het ontwaken een brief naar
de krant waarin ik mijn droom uitlegde. Alles moet
vlam vatten lieve mensen. En
van geestdrift ging ik naar buiten op straat de
mensen de hand schudden
want stilzitten op een bankje in het park daar kon
ik niet meer aan.
Ik wilde alle mensen aanraken en bevestigen er is
een vonk in u schreeuwen. En zo slijt ik mijn dagen
tegenwoordig ja nogal een contrast met hoe ik ooit
doof blind stom en leeg begon.
Nu bedenk ik hinkel – en andere kinderspelletjes en
bij elke sprong op de stoep roep ik hard en
eenvoudig Vonk! Vonk! Nu!

 

Marije Langelaar

 

Ik ga steeds meer van haar houden. Haar stem, haar vermogen om me mee te trekken, het gedicht in, de zaal uit, de straat op, me even te laten geloven dat ook ik ‘vlammend en trillend’ niet meer in staat ben tot ‘stilzitten op een bankje in het park […]’

 

Ik wilde alle mensen aanraken en bevestigen er is

een vonk in u schreeuwen.

 

Maar als Langelaar het podium verlaat, plopt de mooiste regel van Mulisch in me op: ‘na juist zijn benen bevrijd te hebben van een oom-roepend knaapje.’ Straks zal de zaal opstaan, straks kolk ik mee in het geluid van bon ton, gelach en hun-kent-hun. Ik moet weg!

Annet Schaap laat Vis de zee in duiken. Zij leest één van de laatste hoofdstukken voor uit Lampje. Vis zwemt, spartelt, duikt op en doet. Hij heeft de ruimte, hij is vrij. Ik ook even, ik geniet van Lampje, van de blijdschap van Annet. Op afstand. Als ze wordt weggeapplaudiseerd slaat de vierde wand waarvan ik deel uit maak de klauwen weer uit.

 

Als een van de eersten ben ik de zaal uit. Zo snel dat ik als eerste iets van het buffet zou kunnen pakken. Ik kan me er niet toe zetten.

Maar ik moet me niet zo aanstellen. Ik weet toch dat de zee heerlijk is als je eenmaal in een golf bent gedoken. Ik sta verplaats me even later manmoedig met een glas wijn door de kolkende mensheid.

De wijn smaakt me niet. Mijn mond doet het blijkbaar niet. In de verte zie ik Margje. Ik loop naar haar toe. Mijn mond doet het niet, de spraak ontbreekt. Ik verander van koers en loop naar de jassen. Het vermogen tot intermenselijk verkeer heeft zich vertaald in stroperig zweet op mijn rug. Het nog bijna volle glas zet ik op een tafel. Alsof ik daarop heb zitten poepen. Buiten heradem ik. Vol schaamte loop ik naar het Station. In de trein zie ik Dorothé van wie ik zoveel houd. Ik zou, ik wil… Maar de wereld is één grote microfoon, ik heb geen adem en geen taal.  Is er geen tafel waar ik onder kan kruipen? Ik probeer in het boek te verdwijnen, maar de schaamte en de schande die tussen te regels worden opgeperst, houden me tegen. Vergeef me.

 

Marije Langelaar, Vonkt. Gedichten. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam / Antwerpen 2017.

Annet Schaap, Lampje. Em. Querido’s Kinderboekenuitgeverij, Amsterdam 20176.

Harry Mulisch, Het Mirakel, episodes van troost en liederlijkheid uit het leven van de heer Tiennoppen. De Arbeiderspers, Amsterdam 19627.

Submit to FacebookSubmit to Twitter