door Len Borgdorff, 22 januari 2018

 

Een binnenvaartschip. Het wordt te water gelaten om zwaar beladen waterwegen te bevaren die weliswaar gebaand zijn, maar zonder dat het schip zelf daar weet van heeft. Het vaart ‘langs oevers zonder einder / om van zo’n hoogte ’t totaal te ondergaan van wijngaarden en uiterwaarden.’

Ik stuit op dit binnenvaarschip omdat aan Hans Tentije de Constantijn Huygensprijs 2017 is toegekend. Ter gelegenheid daarvan pluk ik een bundel van hem uit de kast. Het wordt Wat ze zei. Ik lees de cyclus ‘Schepen, rivieren.’ Het is niet moeilijk om me het lage en diepgelegen schip voor te stellen. Een schip zonder een uitzicht dat verder reikt dan het nu, en het vaart tussen ‘oevers zonder einder.’ Ik heb de neiging om de r van einder over het hoofd te zien.

 

 

In gedicht IV lees ik

 

de plek vind je terug, nooit ’t gebeurde

 

Lees gedicht

 

IV

 

Doorschijnend soms ’t beeld tot op de nerven

als van een illusie die voor altijd is doorzien

 

m’n vracht toevallig niet aan bederf onderhevig

werd er beslag gelegd op de al ingeklaarde lading

de plek vind je terug, nooit ’t gebeurde

 

bomen alleen, nog even eenzaam aan de overkant

 

zonder ophouden zonder enig ander uitzicht

een spiegeling die niets onthult dan wat er valt

te zien: ’t duister ’s nachts en overdag

hoe ze er bij liggen als ze eenmaal zijn geveld

 

Hans Tentije

 

Het schip vaart in een al dan niet rechte lijn van punt naar punt, zonder weet van de kromming van die lijnen, en zonder zicht op herkomst en doel.

Als Tentije het schip over de Oise laat varen, kom ik er boven te hangen, als boven een landkaart. Ik overzie in gedachten de tocht van het schip. Intussen zet ik stippen op een papier.

Het wordt het leven, de tocht van mijn schoonmoeder: geboren in Groningen bracht zij delen van haar kindertijd door in Winsum. De eerste stip. Maar in haar jeugd woonde ze vooral in Den Bosch. Stip twee komt links onder de eerste. De derde is Deventer, daar kwam ze na het huwelijk terecht; ze was toen 21. Halverwege de jaren vijftig verhuisde ze met haar gezin naar Den Haag en Scheveningen, stip vier, om weer twintig jaar later via Bilthoven, Den Dolder in Utrecht terecht te komen. Vijf punten, zoals je ze ziet op een dobbelsteen, eentje die in dit geval balanceert op een van zijn ribben.

Ik vind, wegdromende lezer die ik ben, plekken van haar leven terug, maar niet het gebeurde. Ik heb het overzicht van binnenvaartschip dat zij was, maar het gebeurde valt intussen achter elke einder.

Wij buigen ons over de kaart en trekken de sporen na. In gedicht V lees ik

 

en als mijn keeshond gepist heeft bij ’t spilgat til ik hem op…

 

Lees gedicht

 

V

 

Geen wegen dragen zo tastbaar ’t vergeten

 

aan boord van een terugkerend schip langzaam

met de stroom meelopen, ’t versnelt ’t einde enkel

voor ’t gevoel, en wat helpt ’t omgekeerd?

rook vermengt zich kansloos met schemer

 

en als m’n keeshond gepist heeft bij ’t spilgat

til ik hem op, haal m’n vingers door z’n klissen−

blijft de rivier, al in m’n slapen een droom

 

Hans Tentije

 

‘Guus! Guus!’ hoor ik mijn schoonmoeder roepen. Ze gaat op het knoppenstoeltje zitten en aait hem. Dan is het weer weg

 

bomen alleen, nog even eenzaam aan de overkant.

 

Hans Tentije, Wat ze zei en andere gedichten. Uitgeverij De Harmonie, Amsterdam 1978.

Submit to FacebookSubmit to Twitter