door Len Borgdorff, 28 november 2017

 

Vandaag vieren Liesje en Klaas hun zesde en vierde verjaardag, wat betekent dat ze langzaam maar onafwendbaar worden opgeslokt door de grote anonimiserende wereld die begint op de basisschool. Heus, wij blijven nog wel oppassen, na hun uren op de school die ons van toekomst en hen van verleden berooft, maar ons huis is niet langer hun tweede vanzelfsprekende nest. Bezoekadres van nu af aan, logeergelegenheid voor in de vakantie nog even.

Wij zijn welkom vanmiddag, maar pas na hun kinderfeestje, waarvan ze nog wel uitgelaten zullen zijn als we komen, maar ook al moe en even later huilerig. Ik lees in Trouwservies van Barnard, schrijf en kan het niet laten om de tuin in te kijken. Naar het bont van de bladeren. Regelmatig zeilt een koppel blad enthousiast de lucht in, het zwerk, om even later omlaag te pirouetteren.

Mente wijst me op een bonte specht, ik zie behalve wat duiven en spreeuwen een enkele halsbandparkiet, een pimpelmeesje en ook een winterkoninkje.

 

Herfst ja, het komen en het gaan der dingen. Vandaag zie ik vooral het gaan.

 

 

‘Ziet u dat Europese meubelstuk bij uitstek, walnoot,´ begint Benno Barnard zijn ´Pianoforte.´ Ik kijk naar onze gele transparante walnotenboom. Naar de lucht: een V van ganzen trekt hoog over. Naar het gedicht. ‘Ik schrijf 1910’ lees ik. Dat is zo ongeveer de tijd waarin mijn grootouders trouwden. Het zijn de jaren waarover intussen lang verleden mensen mij vertelden. Ik hoorde graag over dat onvoorstelbare vroeger van ze waarover oude mensen me konden vertellen.

 

Hun verhalen trekken zich terug tot ver voorbij de horizon. De ooit besnorde lippen die me eens vertelden over vroeger zijn allang van stof tot stof gegaan.

 

Lees gedicht

 

Pianoforte

 

Ziet u dat Europese meubelstuk bij uitstek, walnoot,

kandelaars, gebouwd door Stephan Hain in Krefeld

voor de in statisch wilhelminisch zonlicht badende salon

 

van een morsdode dame in een allang verteerde japon?

Ik schrijf omstreeks 1910 en terstond zie ik zo’n stijve

mevrouw met een gouvernante, een gedichtenschrift

 

en heimwee naar haar meisjestijd; en vast drukken de vingers

van de ex-bruid de angst voor haar opdringerige echtgenoot

’s avonds in de vorm van de noodzakelijke dromerigheid uit.

 

Nu staat dat ding in mijn woonkamer te zwijgen,

even dood als de boom waaruit het is gebouwd. Maar

ziet u niet ook een voormalig Duitstalige provinciestad,

 

Czernowitz of zoiets, met kastanjealleeën, een al welhaast

expressionistische zon, een okerkleurig gymnasium,

bedaard antisemitisme, jonge dichter – die hele

 

nog uit te wissen wereld, vóór de troepen komen, de legertros,

de kornetten met hun praatjes en een melodie uit de negen-

tiende eeuw onder hun snor; voor de nacht valt en de regen

 

neerslaat en de modder rijst en de collaborateur bungelt

aan een niet in een pianoforte veranderende boom? Hoor toch

de cadensen van het continent zich uit open zomeravondramen storten!

 

Benno Barnard

 

Het is herfst. Straks gaan we naar het kinderfeestje. Als we ons gezicht vertonen wordt er vast nog wel enthousiast geroepen. Opa! Oma! Wij van onze kant zullen het, tussen playmobil, groep 1- en 3-perikelen en chocoladeletters, niet over vroeger hebben. We komen samen op de bank te zitten, nog niet ingelijst maar al wel een stukje vroeger, met als steun in de rug de horizon waarachter we verdwenen blijken wanneer de kleine kinderen, groter en ouder al, even opkijken.

 

Benno Barnard, Het trouwservies. Gedichten. Uitgeverij Atlas/Contact, Amsterdam/Antwerpen 2017

Submit to FacebookSubmit to Twitter