door Len Borgdorff, 22 november 2017

 

Sinds vorige week rent steeds weer een haas voor me uit. Benno Barnard presenteerde afgelopen dinsdag zijn bundel Het trouwservies en al in de trein naar huis kon ik het niet laten om daaruit het gedicht De Haas te herlezen. In december komt het ook in Liter te staan. Dat is niet handig, in een tijdschrift een gedicht opnemen dat al net gepubliceerd is. Weliswaar is het besluit een half jaar geleden genomen, maar ook toen wisten we al dat het op een late publicatie zou uitdraaien. Maar het moest en dat zit zo.

 

 

Op 13 mei kwam Benno overgevlogen om zich bij een groepje Litergetrouwen te voegen en de overdracht van zijn gastauteurschap naar Tommy Wieringa te bevestigen. Hij las bij die gelegenheid het gedicht voor van de nacht waarin iemand met de auto een haas aanrijdt. Als hij leest

 

‘en verdomd. haas, je zweeft

tot boven mijn verstand en hangt daar hoog’

 

weten we al dat het mis zal gaan en dat er straks door zijn hoofd, maar ook door zijn gedicht, een haas zal blijven rennen en die steeds weer stilstaan zal op het verkeerde moment. Ik herinner me de hazen (of waren het konijnen) die vroeger ’s nachts bij de duinen in het licht van mijn brommer verstarden en waarvoor ik dan vlug het licht even uitdeed. Dat bracht ze weer in beweging. Maar allemaal denken we nu vooral aan de dochter van Benno die een half jaar daarvoor nog vrolijk in een auto stapte om daar na een ongeluk dood uitgehaald te worden.

De haas wordt een meisje van achttien. ‘Het gedicht is van voor die tijd, maar het loopt griezelig vooruit op wat toen nog te gebeuren stond.’

 

Lees gedicht

 

De haas

 

Het was een bleekblauwe avond in mei

toen ik mijn haas tegenkwam op de lege

landweg tussen twee onooglijke dorpen.

 

Een rammelaar, een moerhaas? Hij of zij

ging zeker foerageren. Onderworpen

aan een blinde evolutie, met vege

 

achterpoten slaand in een schermbloemrijke

berm, sprong die domme haas tegen de maan

mijn lichten in (honderd jaar voorgeslacht

 

was niet genoeg om uit te leren kijken

voor auto’s). Ik remde slingerend. Aan

een finale, wanhopige zigzag

 

begon de haas... (en verdomd, haas, je zweeft

tot boven mijn verstand en hangt daar hoog

boven het als git glinsterende asfalt:

 

weerspiegeld in je nat glanzende oog

je afgekoelde leger. En je valt,

valt naar beneden, gaat ervandoor, leeft)...

 

Maar in de onvoltooid verleden tijd

liet ik hem achter, met zijn kont aan flarden,

in een hem onbegrijpelijke doodsstrijd.

 

Ik kwam levend thuis, maar jij, haas, verwarde

mijn gedachten. Was je al dood? En waarom

zou ik niet achteruit over je stom

 

schokkend organisme heen gereden zijn?

Emblematisch misschien. Maar als het iets

betekende – mijn lafheid en jouw pijn,

 

en de lichte deuk in mijn oude auto –

wat betekende het dan voor mijn o zo

zwakke protest tegen het kosmische niets?

 

De garage was stikdonker en koud.

Ik deed het licht aan: verfpotten, gereedschap

en tuinmeubilair ontstonden. Een muis

 

in een vuilniszak vertelde een grap.

Ik vluchtte de keuken in en het huis

verrees rondom als cynisch zelfbehoud.

 

De hond was blij. Ik dronk, dronk, en mijn hart

liep over: ‘Moge de nacht niet te zwart

voor je zijn! Hoor je de zilveren regen?’

 

Maar weet je, haas, die niet weet wie je bent,

de slaperigheid en het sentiment

hielden mijn mythische gedachten tegen.

 

De punt van mijn vulpen raakt nu het papier

als de zacht trillende neus van een zoogdier

de huid in de lege kom van mijn hand.

 

Wolf en aap zien de avond in de ramen:

onder geweldige hemellichamen

spelen de hazen met een causaal verband.

 

Benno Barnard

 

Benno werd gezoend en deed een stap terug op onze Litermiddag om plaats te maken voor Tommy. Die sloot bij Benno aan door uit De heilige Rita (toen nog een manuscript, waar Benno en passant een foutje uit haalde) een passage voor te lezen.

 

Toen was al duidelijk: die twee stukken komen naast elkaar in Liter, ook al wordt het pas december.

 

Afgelopen vrijdag trof ik Wieringa weer en hij las opnieuw voor, nu uit De heilige Rita die onlangs verschenen was. Het kostte enig bladerwerk, maar het werd opnieuw de passage van de haas, dezelfde als in mei, dezelfde als straks in Liter.

 

Barnard vertelt in zijn gedicht dat de ik het zich achteraf kwalijk neemt dat hij de haas niet uit zijn lijden verlost heeft door nog even achteruit te rijden, zoals de hoofdpersoon in Wieringa’s roman meent niet te moeten ingrijpen in de loop der dingen wanneer een kraai bezig is met een kleine haas.

 

Zou het door die middag met Liter zijn gekomen? Hoe dan ook… In zijn gesprek met Ernest van der Kwast vrijdagavond vertelt Wieringa dat hij niet lang geleden op een paar jagers afstapten die tot zijn ongenoegen bezig waren in een weiland achter zijn huis. Ze hebben wat vogels geschoten en om zich heen neergelegd. Die zijn nog niet allemaal dood. Wieringa pakt een kauwtje en draait het de nek om. ‘Zo doe je dat, lafbekken,’ zegt ie.

 

Ik houd het er maar op dat Wieringa tot deze daadkracht is gekomen door het gedicht van Barnard en dus mede dankzij Liter, om precies te zijn op die mooie middag in mei. Als hij dat wil tegenspreken… Prima, maar dat verandert niets meer aan deze In Poësis en aan de strekking daarvan: literatuur verheldert, troost én maakt moedig en daadkrachtig.

 

En het maakt zacht. Neem bijvoorbeeld deze weergaloze regels uit De Haas:

 

De punt van mijn vulpen raakt nu het papier

als de zacht trillende neus van een zoogdier

de huid in de lege kom van mijn hand.’

 

Wat weer doet denken aan dit zinnetje uit De heilige Rita:

‘De haas, zo groot als de hand van een meisje, begon op te geven.’

 

 

Benno Barnard, Het trouwservies. Gedichten. Uitgeverij Atlas/Contact, Amsterdam/Antwerpen 2017.

 

Tommy Wieringa, De heilige Rita. De Bezige Bij, Amsterdam 2107

 

En straks: Liter 88, literair tijdschrift.

 

Submit to FacebookSubmit to Twitter