door Len Borgdorff, 14 november 2017

 

Een jaar of wat geleden zou ik dit nog een Damascusmomentje genoemd hebben. Maar zelfs statements die eeuwigheidswaarde leken te hebben, kunnen terechtkomen tussen de tanden van de actualitijd, en dit is geen spelfout.

We zitten in de boemel van Harlingen naar Leeuwarden en ik lees Hopeloos hoopvol van John Caputo. Hij schrijft over Ode on a Grecian Urn, waarop twee geliefden op het punt staan elkaar te kussen. Niet die kus wordt echter vereeuwigd, maar het moment dat eraan vooraf gaat. Dat geldt voor de vaas, dat geldt ook voor het gedicht van Keats. Een uitstel dus dat van respectievelijk 2500 en 200 jaar. In de werkelijkheid van de twee minnaars, stelt Caputo, gaat het niet om de vereeuwiging van het moment dat de kus niet wordt gegeven, maar om de beweging die bezegeld wordt met een kus. ‘Eeuwigheid,’ zegt hij, ‘is een illusie veroorzaakt door een video-still.’

 

 

She cannot fade, though thou hast not thy bliss,

For ever wilt thou love, and she be fair!

 

Er wordt voor de minnaars helemaal niets bezegeld. Als het al een momentum is, dan een van initiatie. Pas na die ongegeven kus zou gaan gebeuren wat nu niet gebeurt, niet op de vaas, niet in het gedicht en ook niet in de trein. Ik kijk even naar buiten, naar het groen en het licht van het land. Ik kijk naar Mente naast me. Ze glimlacht. Wij zijn niet van steen: ik geef haar een zoen op haar mond, want de liefde is sterk, sterker ook dan een vaas of een gedicht. Zij voelt dat ik het hierbij niet zou willen laten. Maar in een sprinter van Arriva geeft zoiets geen pas, ook al is er niemand die ons ziet.

 

Of toch… Daar in de verte kijkt een oude Griek ons aan. Hij heeft een penseel in zijn rechterhand en in zijn linker houdt hij een vaas vast. (Ik zeg liever vaas dan urn, zoals ik ook liever bloemen heb dan as.)

En daar, daar boven ons, betrap ik een jonge dichter uit de vroege 19de eeuw. Hij ligt op het bagagerek en wordt verraden door de druppel inkt die vol van zijn ganzenveer naar de stoel tegenover ons omlaag suist om zich als vlek te vereeuwigen. Maar dan, op het laatst, valt de druppel uiteen, nee, ontvouwt die zich tot het dunne kantwerk van een gedicht en ik kan er alle tijd voor nemen om het te lezen.

 

Lees gedicht

 

On a Grecian Urn

 

Thou still unravish'd bride of quietness,

Thou foster-child of silence and slow time,

Sylvan historian, who canst thus express

 A flowery tale more sweetly than our rhyme:

What leaf-fring'd legend haunts about thy shape

Of deities or mortals, or of both,

In Tempe or the dales of Arcady?

What men or gods are these? What maidens loth?

What mad pursuit? What struggle to escape?

What pipes and timbrels? What wild ecstasy?

 

Heard melodies are sweet, but those unheard

Are sweeter; therefore, ye soft pipes, play on;

Not to the sensual ear, but, more endear'd,

Pipe to the spirit ditties of no tone:

Fair youth, beneath the trees, thou canst not leave

Thy song, nor ever can those trees be bare;

Bold Lover, never, never canst thou kiss,

Though winning near the goal yet, do not grieve;

She cannot fade, though thou hast not thy bliss,

For ever wilt thou love, and she be fair!

 

Ah, happy, happy boughs! that cannot shed

Your leaves, nor ever bid the Spring adieu;

And, happy melodist, unwearied,

For ever piping songs for ever new;

More happy love! more happy, happy love!

For ever warm and still to be enjoy'd,

For ever panting, and for ever young;

All breathing human passion far above,

That leaves a heart high-sorrowful and cloy'd,

A burning forehead, and a parching tongue.

 

Who are these coming to the sacrifice?

To what green altar, O mysterious priest,

Lead'st thou that heifer lowing at the skies,

And all her silken flanks with garlands drest?

What little town by river or sea shore,

Or mountain-built with peaceful citadel,

Is emptied of this folk, this pious morn?

And, little town, thy streets for evermore

Will silent be; and not a soul to tell

Why thou art desolate, can e'er return.

 

O Attic shape! Fair attitude! with brede

Of marble men and maidens overwrought,

With forest branches and the trodden weed;

Thou, silent form, dost tease us out of thought

As doth eternity: Cold Pastoral!

When old age shall this generation waste,

Thou shalt remain, in midst of other woe

Than ours, a friend to man, to whom thou say'st,

"Beauty is truth, truth beauty,—that is all

Ye know on earth, and all ye need to know."

 

 

John Keats

 

Menno Wigman en Rob Schouten, A thing of beauty. De bekendste gedichten uit de wereldliteratuur. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 2005.

 

John D. Caputo, Hopeloos Hoopvol. Belijdenissen van een postmoderne pelgrim. Skandalon, Middelburg 2017

Submit to FacebookSubmit to Twitter