door Len Borgdorff, 23 oktober 2017

 

Pas een week na de wandeling komt het ervan om haar de foto’s daarvan te laten zien, via het scherm van de tv. We zitten op de bank.

Windkracht 6 was het die dag. Ik voel de wind weer in mijn rug en als er een regenvlaag aanstormde trok ik mijn regenjas tevoorschijn die opvloog om van mij een kitesurfer te maken.

 

 

 

Op de Haringvlietdam hebben we de wind van opzij. Het licht, de wind, de slagregen, alles is er op uit om me schoon te bijten. Wij lopen met ons hele lijf.

Daar was zij niet bij. Maar ze zit wel naast me op de bank. Het is avond. ‘Heerlijk die rust,’ zegt zij terwijl op tv de foto van het Haringvliet plaatsmaakt voor een volgende.

‘Rust?’ zeg ik. ‘Noem je dat rust?’ Ik haal de foto weer terug om het onrustige water te laten zien. Te laten zien hoe boven het water lucht en licht in gevecht zijn met elkaar.

Maar dan zie ik hoe stil het water staat en hoe er maar één kleur aanwezig is, in water, lucht en land die alles zijn eigen schakering gunt.

Er is geen wind, er komt geen regen, de wind jaagt het licht niet over het Haringvliet. We zitten op de bank.

Misschien denken we wel dat het van binnen kolkt bij ons, kolkt van elkaar. Boven de sluizen van het Haringvliet stond ik krampachtig stil om vast te houden wat er in en om me tuimelde aan woeste elementen. Dat is gelukt, zoals het ons gelukt is elkaar gretig vast te houden en ons elkaar niet te laten ontrukken.

 

Lees gedicht

Hand

 

Hij geeft mij een hart dat ik niet kan vasthouden

en het zegt dat het mij liefheeft.

 

Ook de liefde is vluchtig

maar het harte zegt dat het blijft.

 

Ik heb twee handen, in de ene

geen hart, in de andere geen liefde

 

maar ik adem, adem in en uit beweeg

van het een naar de ander.

 

Hij zegt: in elk mens huist hunker

die alleen ter ziele wordt vastgelegd.

 

Hij heeft gelijk, hij heeft altijd gelijk

maar ook gelijk kun je niet vasthouden, het sijpelt

 

losweg je handpalm levenslijn uit.

 

Hester Knibbe

 

Wij zitten op de bank. Ik voel de storm die ik niet ben. Ik span mijn spieren om te kunnen blijven zitten. Het dondert in mijn oren, maar daar bovenuit klinkt zacht haar stem: ‘We zien niet wat er is en als we niet hetzelfde zien, wie heeft er dan gelijk?’

 

[…] het sijpelt

 

losweg je handpalm levenslijn uit.

 

 

Hester Knibbe, As, vuur. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam / Antwerpen 2017

Submit to FacebookSubmit to Twitter